Aanpassingsdruk en culturele intolerantie

Foto: AP

In mijn vorige column heb ik kritische kanttekeningen geplaatst bij de manier waarop bestuurders in toenemende mate inhoudelijke eisen stellen aan hun (islamitische) gesprekspartners. Daar valt nog meer over te zeggen. Onlangs was ik uitgenodigd bij de islamitische studentenvereniging ISA die een bijeenkomst hadden georganiseerd met als thema de vraag of islamitische overtuiging maatschappelijk succes in de weg staat.

De bijeenkomst vond plaats op de Vrije Universiteit in een zaal waar zeshonderd mensen in kunnen. De zaal zat vrijwel vol met islamitische studenten van verschillende universiteiten en heel verschillende opleidingen; van theoretische natuurkunde tot antropologie en alles daartussenin. De meeste aanwezigen waren vrouwen. Ook onder moslims is dit aspect van de integratie dus goed gelukt, want ook algemene landelijke cijfers laten zien dat het gemiddelde aantal vrouwelijke studenten iets hoger is.

Naast twee sprekers, onder wie ondergetekende, was er een panel van moslims uit verschillende geledingen van de maatschappij, allen met een academische opleiding. Je zou dus kunnen zeggen dat zowel het publiek als de panelleden in alle opzichten beschikten over de competenties en vaardigheden waar in de voortwoekerende discussie over integratie keer op keer wordt gehamerd. Zij voldoen aan de eisen voor integratie. Klaar dus om volwaardig in de samenleving te kunnen participeren, maar schijn bedriegt. Dat bleek overduidelijk uit de reacties van de aanwezigen. ‘Hoe moet ik nu uitleggen dat ik prima kan functioneren in de samenleving die ik als mijn samenleving beschouw, terwijl ik tegelijk als moslim leef?’

Juist deze categorie moslims, geïntegreerd, welbespraakt en hoogopgeleid, kan als geen ander de vinger op de zere plek leggen. Ik herinner mij heel lang geleden een jongeman uit Turkije die als zeventienjarige in het kader van de gezinshereniging net in Nederland was aangekomen. Hij was enorm positief en optimistisch over zijn toekomst, vond Nederland geweldig en Nederlanders behulpzaam. Geen verrassing als je bedenkt dat zijn enige contact met Nederlanders die aardige buurman was.

Een nieuwkomer die slecht of geen Nederlands spreekt, die weinig opleiding heeft en die de samenleving niet kent, kan zichzelf en anderen voorhouden dat er ‘nog een lange weg te gaan is’. Maar iemand die aan al die voorwaarden meer dan voldoet en die de samenleving door en door kent, ziet niet alleen haarscherp de steeds verder opschuivende barrières en eisen, maar is natuurlijk ook veel gevoeliger voor uitsluiting. Dat was de frustratie bij veel deelnemers aan de discussie.

Waar zit het probleem? We weten uit onderzoek dat burgerschap sinds de jaren negentig steeds meer een culturele invulling heeft gekregen. Ging het eerst om gelijke kansen op de woning- en arbeidsmarkt en in het onderwijs, in de loop van de jaren negentig verschoof de nadruk meer en meer naar het onderschrijven van ‘gedeelde waarden’ als definitie van goed burgerschap. Het betekende onder andere dat een goede maatschappelijke positie kennelijk niet zonder meer wordt beschouwd als voorwaarde voor gelijkwaardig burgerschap. Steeds uitdrukkelijker moeten jonge moslims die hier geboren en getogen zijn ‘bewijzen’ dat ze onderdeel zijn van de Nederlandse samenleving en, daar komt het, de ‘kernwaarden van onze samenleving’ onderschrijven. Dus vrij vertaald: alle ‘volwaardige burgers’ delen dezelfde ‘grondwaarden’ en iedereen die hier wil wonen moet die onderschrijven. Blijkt nu al dat bij de selectie van vluchtelingen uit Turkse kampen naar ‘waarden’ wordt gekeken. Een zeer zorgelijke ontwikkeling. En des te idioter als het gaat om mensen die hier zijn geboren en getogen. Idioot ook omdat er vanuit wordt gegaan dat het grootste deel van de bevolking in Nederland een bepaalde set van grondwaarden deelt. Het is niet alleen een onzinnige mythe dat er zoiets bestaat als ‘gedeelde waarden’ van een hele bevolking, het is ook nog beledigend. Ik deel geen enkele waarden met dat zooitje ongemanierde populisten in de Tweede kamer en ik wens niet met hen op één hoop geveegd te worden.

Terug naar de bijeenkomst. Ik heb daar uitgelegd waar volgens mij die enorme aanpassingsdruk in Nederland vandaan komt. Die hang naar conformisme, die obsessie met ‘gedeelde kernwaarden’, dat in de pas moeten lopen, dat moeten meedoen en jezelf niet afzonderen. Islamofobie komen we helaas in veel landen tegen, maar ik vraag me af of die aanpassingsdruk met islamofobie alleen verklaard kan worden. Er zit iets anders achter. Nederland had in de jaren tachtig het meest uitgesproken integratiebeleid van Europa, waarin een zekere ruimte was voor culturele diversiteit. Maar dat was niet de erkenning van culturele verschillen, maar een optimisme dat iedereen uiteindelijk zou opgaan in de samenleving, ook cultureel. Dat optimisme sloeg om in culturele intolerantie toen bleek dat niet iedereen hetzelfde dacht over goed burgerschap. Na al die jaren mogen in Nederland geboren en getogen moslims nog steeds niet meebepalen hoe de samenleving eruit ziet.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.