Afrin

Foto: Reuters

Een tijdje geleden schreef ik in deze krant over mijn ontmoeting met Ahmad, mijn ‘maatje’ die ik toegewezen kreeg via Vluchtelingenwerk. We troffen elkaar voor het eerst bij de Hema en in de weken daarna bezocht ik hem iedere donderdag een paar uur lang in zijn Amsterdamse huis. Hij woonde pas een paar maanden in Nederland, na een afschuwelijke vlucht uit Syrië. Hij reisde naar Turkije, maakte een levensgevaarlijke tocht in een rubberen boot over de Egeïsche Zee en verbleef een paar maanden in een kamp op Lesbos, waar het zó druk was dat hij ‘onder de sterrenhemel’ moest slapen.

Ahmad was blij dat hij een tijdelijke verblijfsvergunning had gekregen en beloofde zichzelf plechtig om alles uit zijn nieuwe leven in Nederland te halen, ook al was hij eenzaam en miste hij zijn familie die was achtergebleven in de Koerdische provincie Afrin. Hij volgde in een razend tempo taalcursussen zodat hij zo snel mogelijk een baan zou kunnen vinden en het huisje dat hij toegewezen kreeg richtte hij sober maar gezellig in. Via Tinder ontmoette hij een Nederlands meisje waar hij een relatie mee kreeg, hij sloot nieuwe vriendschappen en vond een baantje als kleermaker, een vak dat hij had geleerd in Turkije. Ik hielp hem met praktische zaken, zoals het vinden van een huisarts of het betalen van de huur. Ook spoorde ik hem aan om niet steeds naar Arabische of Koerdische nieuwszenders te kijken, maar naar Nederlandse kindertelevisie; een speelse manier om zijn taalschat te vergroten. Zo kwam het regelmatig voor dat we op een donderdagmiddag Syrische koffie dronken en naar Willem Wever keken.

Op een gegeven moment ging het zó goed met hem dat hij geen tijd meer had voor mijn bezoekjes. Hij was te druk met taalles, zijn werk, een stage bij de gemeente en natuurlijk zijn vriendin. Hoewel ik altijd erg genoot van zijn gezelschap en het jammer vond dat ik hem nauwelijks meer zag, begreep ik dat dit onderdeel was van mijn vrijwilligerswerk als ‘maatje’. Het was immers de bedoeling dat hij zelfstandig zou worden, hij was per slot van rekening een man van dertig jaar.

Maar twee weken geleden belde hij opeens. Ahmad informeerde of ik kon langskomen. Ik hoorde meteen aan zijn stem dat er iets niet in orde was. We spraken al tijden Nederlands met elkaar, maar nu begroette hij me in het Engels. Bovendien klonk hij nerveus. Zodra ik de vertrouwde woning binnenwandelde zag ik dat hij weer was begonnen met roken (daar was hij net mee gestopt). De Koerdische televisiezender stond keihard aan en hij was voortdurend met zijn familie aan het WhatsAppen. Hij keek me verdrietig aan. ‘Turkije is Afrin binnengevallen’, fluisterde hij bijna wanhopig. ‘Ik ben bang dat mijn familie wordt vermoord. Ik doe al dagen geen oog meer dicht. Gisteren was er een zwaar bombardement in het dorp naast de stad waar mijn ouders, broer en zussen wonen.’

Hij vertelde dat hij tijdelijk gestopt was met zijn studie Nederlands, omdat zijn hoofd te vol zat. Daarna keek hij me recht in de ogen aan en zei ‘Natascha, ik ben bang!’ Ik gaf hem een knuffel en verklaarde dat ik me kon voorstellen hoe hij zich voelde. Ik beet op mijn tong, want dat was een leugen. Hoe zou ik moeten weten hoe het voelt om dag en nacht bang te zijn dat je familie wordt vermoord?

Onderweg naar huis voelde ik me machteloos en terneergeslagen. Misschien kan ik hem helpen om een huisarts te vinden of kan ik uitleggen hoe internet bankieren werkt. Maar wat heeft dat eigenlijk voor zin als ik niets kan doen tegen zijn pijn?

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.