Alternatief voor ‘allochtoon’ lost niets op

Foto: Reuters
Het is vast goed bedoeld: het voornemen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het Centraal Bureau voor de Statistiek niet langer meer het woord ”allochtoon” te gebruiken, omdat dit negatieve connotaties (gekregen) heeft en de lading niet meer dekt. Men wil het vervangen door ”Nederlanders met een migratieachtergrond”. Zal het in de praktijk iets uitmaken?

Opvallend is, om te beginnen, dat een deel van de betrokkenen helemaal niet met de term ”allochtoon” zit. De Volkskrant peilde onlangs de stemming op Rotterdam Centraal en portretteerde kort reizigers uit de ”doelgroep”.

Twee van hen verklaarden zich expliciet tegen ”allochtoon” – een Molukse en een Marokkaanse Nederlander – en een derde, een Filippijnse Nederlander, vond het alternatief ”migrant” ook beter, ”minder stigmatiserend”.

Twee vonden het duidelijk onzin, iemand met een Pools-Surinaamse en iemand met een Antilliaanse achtergrond. De Pools-Surinaamse Nederlander: ”De term allochtoon heeft me nooit gestoord. Wat wordt het? Migrantenachtergrond? Beetje apart woord. Klinkt als: je komt niet van hier. Dan liever allochtoon.” De Antilliaanse Nederlander: ”Allochtoon is toch niet negatief? Niet de woorden, maar de mensen moeten veranderen.”

En een Chinese Nederlander verklaarde: ”Hoe dan ook, mensen hebben een achtergrond. De beelden verander je niet met een ander etiket.”

Zoals de Filippijn opmerkte, met ”migrant” benoem je iemands achtergrond toch ook weer. Ik denk dat Chinese en Antilliaanse Nederlanders het meest bij de kern van de kwestie komen. Laat immers ”allochtoon” indertijd juist in het spraakgebruik van de overheid terecht zijn gekomen, om – inmiddels – beladen begrippen als ”gastarbeider”, ”vreemdeling” en ”buitenlander” te vervangen. Dat kwam ook, omdat die niet langer meer de lading dekten: van tijdelijke werknemers die na een aantal jaren werken in West-Europa naar hun vaderland hoopten terug te keren, waren de meeste Turken en Marokkanen mede als gevolg van de gezinshereniging de facto blijvende immigranten geworden. Iemand na een verblijf van decennia nog als ‘vreemdeling’ betitelen, krijgt iets vreemds. En aangezien velen intussen ook een Nederlands paspoort hadden, volstond de juridische term ‘buitenlander’ inmiddels evenmin.

Tegen ”allochtoon” valt inmiddels zeker best wat in te brengen. Het is overigens als zodanig een neutraal woord, als tegenhanger van ”autochtoon”, en betekent letterlijk dat iemand van elders komt. Dat geldt ook voor een Amsterdammer die per abuis in Rotterdam verzeild raakt – ja, zelfs zoiets komt voor! – want die is ook daar een ”allochtoon”. In de praktijk zal men dat woord alleen niet snel voor import-Rotterdammers uit de rest van Nederland gebruiken, maar het begrip ”autochtone Rotterdammer”, voor degenen die er geboren en getogen zijn, juist weer wel vrij vaak.

Als het etniciteit betreft valt het volgende op: het woord wordt meestal voor mensen met een niet-Europese achtergrond gehanteerd, en zelden voor (ex-)Belgen of (ex-)Duitsers. Soms wordt, om geen misverstand te laten bestaan op wie men doelt, expliciet van ”niet-westerse allochtonen” gesproken. De term ”westerse allochtoon” kom je overigens zelden tegen. Daartoe schijnen merkwaardigerwijs ook mensen uit Japan en Indonesië gerekend te worden – landen die toch echt ver in het oosten liggen – en mensen uit Suriname en de Antillen – op het westelijk halfrond – weer niet. Kortom, verwarring alom.

Wat die verwarring vergroot, is dat ook nog eens een deel van degenen die als ”allochtoon” betiteld wordt, zelf helemaal niet meer van elders komt, maar hier geboren is: de kinderen van ”allochtone” ouders. Dat leidt tot het gebruik van allerlei extra adjectieven, als tweede en derde generatie ”allochtonen” voor de kinderen en kleinkinderen van migranten.

Wat dan te doen met etnisch gemengde huwelijken? Volgens de gangbare definitie volstaat voor ”allochtoon-zijn” – en voortaan voor ”Nederlander met een migratieachtergrond” – dat één van de ouders uit het buitenland komt. Volgens dat criterium hoor ik daar zelf ook toe, ofschoon mijn grootouders van vaderszijde zich al 24 jaar voor mijn geboorte vanuit Duitsland in Nederland vestigden.

Ook Willem-Alexander is dan een ”allochtoon”, net als Amalia, Beatrix, Juliana en alle regerende Oranjes voordien, zowel de koningen als de stadhouders: die zijn namelijk generaties lang allemáál over de grens getrouwd. Er vloeit echt heel weinig Neêrlands bloed door hun aderen (volgens de gegeven definitie maximaal 1 op de 1.024 druppels bij de huidige koning zelf), om de titel van het oorspronkelijke Nederlandse volkslied van 1817 te citeren, dat pas in 1932 –  misschien omdat het anders langzaamaan voor het koningshuis te pijnlijk werd? – door het Wilhelmus is vervangen.

De term ”allochtoon” is inderdaad inhoudelijk discutabel geworden, maar zal met het alternatief het beoogde effect – een positieve connotatie – bereikt worden? Dat valt te betwijfelen. Om te beginnen, of het überhaupt zal inburgeren: het is namelijk een mond vol. Ik zal het daarom zelf niet snel in mijn stukjes gaan gebruiken – je wilt voor de leesbaarheid niet een halve zin, maar gewoon één term, en bovendien kost dat kostbare ruimte in de krant.

Of de inhoud door een nieuwe term wel een positieve kleur zal krijgen? De ervaring wijst op het tegendeel. Denk aan de tritsbegrippen – ouden van dagen, bejaarden, senioren, ouderen, enzovoorts – die we achteréénvolgens voor mensen op leeftijd zijn gaan gebruiken. Zolang het beeld van de groep negatief is, verandert dat niets, en krijgt ook de nieuwe term al snel de oude kleur. In dat opzicht heeft die Antilliaanse Nederlander gelijk.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.