Antisemitisme en islamofobie onder dezelfde noemer scharen?

joods-moslim-reuters.jpg
Foto: © Reuters

Zijn antisemitisme en islamofobie gelijke grootheden, die beide onder exact dezelfde noemer kunnen worden geschaard? Uit onderzoek blijkt dat er in Europa meer sprake is van anti-islamitische dan van antisemitische incidenten, en moslims aanzienlijk vaker dan joden worden gediscrimineerd. Tegelijk zijn antisemitische sentimenten onder moslims frequenter en heviger dan anti-islamitische onder niet-moslims. Ook zijn er, met de recente aanslagen in Parijs, Brussel en Kopenhagen, in Europa meer joodse dodelijke slachtoffers van terreuraanslagen gevallen dan islamitische. Wel komt een van de bloedigste, die van Breivik, voor rekening van een islamhater – alleen waren zijn slachtoffers sociaal-democratische jongeren.

Een van de complicaties met antisemitisme en islamofobie is dat “jood” en “moslim” niet begrippen uit precies dezelfde categorie zijn. De islam is een godsdienst, die vanwege haar universele pretenties – die zij gemeen heeft met het christendom – als zodanig los staat van etniciteit, zodat een automatische gelijkstelling van islamofobie aan racisme de terminologie vertroebelt. Kort gezegd: moslims vormen geen mensenras. Wel hebben veel moslims in Europa een Arabische (of Turkse) achtergrond – en veel anti-islamisme valt zo de facto niet los te zien van Arabieren- of Turkenhaat, waarmee het tenminste snel xenofoob is – maar in beginsel kan iedereen moslim worden, net zoals dat voor het christendom geldt. De meeste moslims wonen vandaag ook in Indonesië, en daarna in Pakistan, India en Bangladesh – alle vier stuk voor stuk niet bepaald écht Arabische landen.

Bij het jodendom ligt dat vanaf de oorsprong anders. Het joodse geloof was het geloof van het joodse volk, en uitsluitend van het joodse volk. Afstamming speelt formeel een cruciale rol. Het is voor een niet-jood veel moeilijker jood te worden, dan voor een niet-moslim moslim of voor een niet-christen christen. Voor de katholieke kerk, die in ‘de joden’ de moordenaars van Christus zag, stond eeuwenlang de bestrijding van het joodse geloof centraal; als zij zich bekeerden werden zij geaccepteerd.

In haar geval is het dan ook, ter verklaring van de maatschappelijke achterstelling van joden, beter te spreken van eeuwenlang antijudaïsme dan van antisemitisme. Pas met de opkomst van rassentheorieën in de negentiende eeuw veranderde dit antijudaïsme geleidelijk in antisemitisme: van een in eerste instantie religieuze invalshoek in een biologische, in de hand gewerkt door het gegeven dat het joodse geloof nu eenmaal het exclusieve geloof van mensen met een joodse afstamming bleef.

Wat de zaak verder compliceert, is dat in diezelfde 19e eeuw een aanzienlijk deel van de joden juist van hun geloof begon af te vallen: een secularisatieproces dat niet los valt te zien van de Verlichting en hun daaruit resulterende maatschappelijke emancipatie. Voor deze groep, waartoe ook de joodse tak van mijn Duitse familie behoorde, was het jood-zijn voortaan hooguit iets cultureels, losgekoppeld van een geloof dat zij zelf niet meer aanhingen. Duitse joden waren joods omdat ze niet katholiek of protestants waren, maar beschouwden zichzelf allereerst als Duitsers. In mijn familie werd ten bewijze van dat eigen Duits-zijn zelfs Kerstmis gevierd, omdat zij dat vooral als een Duits feest beschouwde – vergelijkbaar met de kerstbomen vandaag als statement van ‘Europeesheid’ in het officieel seculiere Turkije.

In feite wordt het huidige Israël door dat conceptuele probleem verscheurd: is jood zijn een kwestie van afstamming – zoals seculiere joden menen – of (ook) van geloof, zoals veel orthodoxe joden menen, waardoor seculiere joden dus geen jood meer zouden zijn. In de joodse staat Israël stelt men – zie ook de migratie-oproep van Netanyahu – joodse nationaliteit, joodse etniciteit en joods geloof vaak graag aan elkaar gelijk, zodat kritiek op Israël automatisch al snel als antisemitisch kan worden gelabeld.

Die driedubbelheid maakt in Europa antisemitisme – dat op zich niet, zoals Netanyahu graag doet, gelijk gesteld moet worden aan antizionisme – in de praktijk in veel gevallen echter wél al snel tot racisme, omdat jodenhaat zich nog maar zeer zelden richt tegen hun geloof. Bij islamofobie is dat juist het geval, wat in de praktijk niet uitsluit dat het wel degelijk een raciale ondertoon kan krijgen, als bepaalde negatieve eigenschappen niet aan godsdienst, maar aan afstamming worden gekoppeld.

Cruciaal verschil: wat je gelooft (moslim, christen, jood) is een eigen keuze, op van wie je afstamt (Arabieren, Europeanen, Joden – of: Marokkanen, Nederlanders, Israëli’s) heb je zelf geen invloed. Alleen: dit is tegelijk een zeer moderne westerse visie – die ik als moderne westerling onderschrijf, maar waarvan ik als historicus tegelijk de tijdgebondenheid besef. Zij is gebaseerd op het vergaande individualisme van de westerse samenleving met daadwerkelijke godsdienstvrijheid voor elk individu, los van traditie en familie. Ook al berust het feit dat protestanten protestant zijn en katholieken katholiek in de praktijk gewoon op familietraditie, het fundamentele recht om een andere keuze te maken wordt door (vrijwel) alle christenen erkend.

Dat ligt – en daarin schuilt een grote cultuurkloof – in het Midden-Oosten, waar de wortels van veel Nederlandse moslims liggen, sociaal en maatschappelijk wezenlijk anders, waardoor zij godsdienst begrijpelijkerwijs niet als eigen keuze zien. In een collectivistische, patriarchale samenleving staat niet het recht van het individu, maar de eer van de groep centraal. Geen sprake van dat je daar even in je eentje van geloof kan wisselen! In sommige islamitische landen staat op afvalligheid zelfs de doodstraf.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.