Antisemitisme, wat is dat?

Foto: AP

Als je iets wilt veranderen in de maatschappij, dan formuleer je het ‘kwaad’ dat je wilt bestrijden, waarom het moet worden bestreden en vervolgens hoe je dat gaat aanpakken en wat er moet gebeuren. Dit is les nummer één van de cursus actievoeren. In veel gevallen is er een grote mate van overeenstemming over wat het ‘kwaad’ is. Zelfs bij de discussie rond klimaatproblemen is er inmiddels grote overeenstemming dat mensen de problemen hebben veroorzaakt en dus mensen dat ook moeten oplossen. Rabiate klimaatontkenners worden wat dat betreft gelukkig steeds verder in het nauw gedreven. Tot zover het goede nieuws.

Over de vraag hoe je dan bepaalde doelen moet bereiken is allerminst overeenstemming. Dat is bij de klimaatdiscussie natuurlijk overduidelijk. Nog veel ingewikkelder wordt het als we het hebben over diverse vormen van discriminatie en uitsluiting. Laten we er voor het gemak eens van uitgaan dat iedereen vindt dat je niet mag discrimineren. Discriminatie is een kwaad dat bestreden moet worden. Maar de discussie loopt al direct vast op de vraag wat discriminatie eigenlijk is en wat als discriminatie kan worden aangemerkt. Discriminatie in de meest algemene definitie is ‘onderscheid maken op basis van niet ter zake doende kenmerken’. Maar als een politieagent iemand met een donkere huidskleur in een dure auto aanhoudt, wat echt gebeurt, dan ontstaat er al snel onenigheid over de vraag of dat discriminatie is of ‘ervaringsdeskundigheid’ van de dienstdoende agent.

De discussie rond antisemitisme – een vorm van discriminatie en uitsluiting – is zo mogelijk nog ingewikkelder. Dat bleek onlangs weer toen de PvdA besloot om de zogenoemde IHRA-definitie van antisemitisme te accepteren. Deze definitie werd in 2016 geformuleerd als een nieuwe richtlijn voor de bestrijding van antisemitisme door de International Holocaust Remembrance Alliance. Het moest een eerdere definitie vervangen. De nieuwe definitie zelf lijkt me helder en weinig op aan te merken. Het gaat om een bepaalde perceptie van joden die leidt tot haat en tot het uiting geven aan die haat. Nieuw in die definitie is de uitwerking ervan. Tenslotte moet je kunnen bepalen wat dan wel een antisemitische daad is. Daar wordt in een aantal gevallen expliciet verwezen naar opvattingen over de staat Israël. Je zou dus kunnen stellen dat kritiek op het beleid van Israël – dat Palestijnen nu al decennialang als tweederangsburgers behandelt (sinds juli 2018 wettelijk vastgelegd), hun land bezet en VN-resoluties naast zich neerlegt – antisemitisme is. Daarover ontstond hevige beroering, niet in de laatste plaats bij antizionistische joodse organisaties. Die vinden terecht dat je die dingen moet scheiden. Door kritiek op het beleid van Israël in het Midden-Oosten af te doen als antisemitisme, maak je een discussie bij voorbaat onmogelijk. Dat ondervond het Amerikaanse congreslid Ilhan Omar, die kritiek heeft op de innige band tussen de VS en Israël. Het gaat er mij niet om of haar uitspraken allemaal hout snijden, maar ze werd al rap als een antisemiet weggezet. Helaas wordt die verwijzing naar Israël steeds breder onderschreven, maar op zo’n manier wordt de bestrijding van antisemitisme alleen maar gecompliceerder.

De bestrijding van islamofobie is om vergelijkbare redenen uiterst moeizaam. Ook over deze praktijk zijn rapporten geschreven en definities geformuleerd die allemaal ongeveer neerkomen op hetzelfde mechanisme als bij antisemitisme: haat tegen moslims en daaraan uitvoering geven. Maar ook in dit geval loopt de bestrijding ervan vaak bij voorbaat stuk op de vraag wat dan islamofobie is en wat niet. Aan de ene kant zeggen types als Wilders, of mislukte wetenschappers zoals Ruud Koopmans, dat ze gewoon zeggen waar het op staat. Aan de andere kant wordt door sommige moslims ook gemanipuleerd, bijvoorbeeld door kritiek op de imperialistische bezettingspolitiek van Saoedi-Arabië in Jemen af te doen als islamofobie. En Erdogan roept maar al te graag dat kritiek op zijn beleid islamkritiek is. Kletskoek, zoals gelukkig heel veel moslims ook vinden.

Hoe los je dit op? Dat is helaas niet zo makkelijk. Consensus over wat antisemitisme en islamofobie is en hoe het moet worden bestreden, is enorm belangrijk. Die bestrijding heeft alleen effect als een zo groot mogelijke groep mensen het eens is over de definitie, de doelen en de middelen. Maar dat bereik je nu juist door die definities niet specifieker, maar juist minder specifiek te maken. Antisemitisme en islamofobie zijn allebei gebaseerd op haat en daarbij behorende uitsluitingspraktijken. Daar zitten mogelijkheden voor een gezamenlijke aanpak en dat gebeurt gelukkig ook. Maar het probleem is dat antisemitisme en islamofobie zogeheten ‘gebruiksbegrippen’ zijn geworden. Ze zijn niet alleen meer wetenschappelijke termen voor onderzoek, ze hebben een enorme emotionele lading. Dat drijft groepen mensen uit elkaar. Je bent er niet met mooie slogans over mooie doelen. Stop nu eens met het misbruiken van deze vormen van kwaad voor eigen gewin en ga samen aan de slag.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.