Arabische fitna versus Chinese conflictvermijding

Foto: Reuters

Hasan Kücük, fractievoorzitter van de Islam Democraten in de Haagse gemeenteraad, klaagde deze week in een interview met Radio Den Haag dat Nida niet met zijn partij wil samenwerken, maar eerst tevergeefs geprobeerd had om zijn partij over te nemen om nu vervolgens met een eigen lijst te komen. Er wordt wat geruzied in de lokale islamitische politiek. Arabist en collega-columnist Gert Jan Geling vat het op zijn sociale media als volgt samen: ‘Dus Nida wilde samenwerken met Denk, maar dat ging niet door, omdat Denk Nida eigenlijk over wilde nemen. De Islam Democraten wilden samenwerken met Nida, maar dat ging niet door, omdat Nida de Islam Democraten eigenlijk over wilden nemen. Ondertussen wilde de Partij voor de Eenheid met Nida samenwerken, maar die zijn daar niet op ingegaan. En nu doet Denk tegen de zin van Nida in mee in Rotterdam en Nida tegen de zin van de Islam Democraten en de Partij voor de Eenheid in Den Haag. En ze wijzen allemaal boos naar elkaar. Dit, beste mensen, is nu fitna.’

Stilistisch is het meesterlijk om dit haantjesgevecht aan een theologisch beladen begrip als fitna te koppelen. Mijn essayistische hart klopt sneller. Ik moet aan mijn maand in Egypte vorige zomer denken. Ik kwam overvliegen vanuit China en was eerder in islamitische landen geweest, maar nog nooit in de Arabische wereld. Het eerste dat me opviel waren de alfamannetjes. Het brandende oogcontact. De alledaagse verbale intimidaties. Straatgevechten. Mannen die langslopende vrouw na-sissen. Natuurlijk is er een boel frustratie vanwege de politieke tegenslagen van de laatste jaren. En er is qua haantjesgedrag veel regionale variatie; de Nijl-vallei is bijvoorbeeld opgefokter dan de omringende bedoeïenengebieden. Toch is mijn indruk dat je in de gehele Arabische wereld, met gematigde uitlopers naar mediterrane en Zuid-Aziatische gebieden, een machismo hebt dat onder Noord-Europeanen zeldzaam is en onder Han-Chinezen volledig onbestaanbaar.

De cultuurvergelijkende studies van psycholoog Geert Hofstede tonen dat Arabische landen en China extreem hiërarchisch zijn. Maar hiërarchie betekent iets heel anders voor Arabieren en Han-Chinezen. Bij de Arabieren zijn de rangen potentieel aanvechtbaar, zodat machtsstrijd aan de orde van de dag is en alfamannetjes soms hun tanden moeten laten zien om hun positie veilig te stellen. Bij de Chinezen zijn de rangen vaster, wordt machogedrag afgestraft en vecht men elkaar de tent uit over wie het meest conformistisch en conflict vermijdend is. Dat is niet omdat de Chinezen collectivistische groepsdieren zijn; ze zijn geen Japanners. Nee, Han-Chinezen zijn niet loyaal richting grote collectieven zoals het land, de buurt of het bedrijf waar ze werken. China heeft een familiecultuur. Alles draait om het zelfbehoud van de familie en in extensie het quasi-familiale persoonlijke netwerk. Chinezen neigen ertoe sociaal risico te mijden, om zo conflictloos, zo ‘harmonisch’ mogelijk op te gaan in de hiërarchie. Ondertussen pakt men bij iedere opening veilige voordeeltjes voor de eigen familie of het netwerk. Liegen mag, zeker als conflictvermijding. De etiquette is dat als je merkt dat iemand je bedriegt, je vrolijk opkomt voor je eigen voordeel, zonder de leugen aan te spreken, wederom om conflict te mijden, maar ook omdat eerlijkheid niet belangrijk geacht wordt. In China winnen de sluwste, meest leugenachtige en geduldigste spelers het machtsspel. De Chinese staat en maatschappij zijn ronduit wreed tegen zwakkeren, maar leiders presenteren zich als zachtaardig.

Als Arabieren en Chinezen elkaar ontmoeten, treffen zich twee vreemde werelden. Ik maakte een studieprojectje van de Chinese toeristen in Egypte. Ze leken niets van de intimiderende sfeer te merken, omdat ze te veel met hun selfies bezig waren en te weinig oogcontact maakten om te zien dat ze continu agressief werden aangestaard. Ik vroeg een Chinese dame die alleen door het land reisde of ze zich in Egypte soms geïntimideerd voelde. ‘Geïntimideerd? Nee.’ Ik vroeg door naar vreemde ervaringen. ‘Nou’, zei ze. ‘Er gebeurde gisteren iets raars. Een man op straat drukte een waterflesje in m’n hand. Ik zei dat ik geen dorst had, maar hij schreeuwde dat ik het al had aangenomen en nu tien Amerikaanse dollars moest betalen. Ik heb het betaald, maar is het echt zo duur? En ik wilde helemaal geen water. Rare vent.’ Ze kon het niet plaatsen. In China doet men alleen aan geniepige trucjes en niet aan zulke agressieve intimidatie.

Een wereldvreemde, kinderlijke naïviteit speelt ook mee. De Egyptische gids die een groep Chinese toeristen en ik een dag had rondgereden en wist dat ik in China werkte, vroeg me achteraf waarom die Chinezen toch zo kinderlijk zijn. Specifiek over één dame ‘ze is zevenentwintig; waarom gedraagt ze zich als een kind’? Ik vertelde dat veel Chinezen met midden twintig de eerste stappen in de volwassenheid zetten en liet hem de WeChat-groep (Chinese versie van WhatsApp) van mijn Pekingse masterstudenten zien. Die sturen elkaar de hele dag bewerkte selfies en foto’s van poesjes en hondjes, de mannen inclusief, die op geen enkele manier aan het Arabische mannelijkheidsideaal voldoen. De gids schudde meewarig het hoofd. In Egypte hebben honden trouwens krijgshaftige namen zoals Rambo, terwijl in China hondjes schattig moeten zijn. De infantilisering van de Chinese jeugd en de Oost-Aziatische schattigheidscultuur zijn ook uitingen van een geïnternaliseerde strategie van conflictvermijding. Het onschuldige werkt ontwapenend en helpt jonge volwassenen op die manier om wrijvingsloos de hiërarchie in te glijden.

Ik vind Arabisch haantjesgedrag enorm vermoeiend, maar sta als Nederlander cultureel toch dichter bij de Arabieren dan bij de Chinezen. Nederlanders zijn egalitaire knuffelberen, maar als we ons ergens hiërarchisch organiseren, dan zou dat vast ook leiden tot macho-toestanden. Het conflictmijdende opportunisme van de Chinezen daarentegen, met zijn infantilisering en onverschilligheid tegenover waarheid en ieder hoger ideaal, dát is een ander universum.

DELEN
Eric Hendriks
Socioloog aan de Peking University. Schrijft vanuit vergelijkend perspectief over democratische en autoritaire regimes.