Arabische les

Foto: Reuters

Sinds een aantal weken zit ik opnieuw in de schoolbanken. Iedere dinsdagavond neem ik tram zeven naar de campus van de Universiteit van Amsterdam. Ik ben namelijk begonnen met de taalcursus Arabisch, niveau één (voor totale beginners dus). Ik wilde uit persoonlijke interesse al een tijdje Arabisch leren. Toch was er altijd wel iets dat me tegenhield: te druk, geen zin in avondcolleges en een enorme angst voor tentamens. Maar zodra ik hoorde dat ik voor mijn werk binnenkort een paar weken naar het Midden-Oosten mag, schreef ik me meteen in.

Hoe moeilijk kon het nou helemaal zijn? Op de middelbare school was ik een ramp in vakken als wiskunde en biologie, maar voor talen haalde ik altijd hoge cijfers. Dan zou dit me toch ook redelijk gemakkelijk af moeten kunnen gaan? Al tijdens de eerste les kwam ik daarop terug. We moesten ons voorstellen. ‘Hallo, ik ben Natascha’, zei ik vrolijk. De docent keek me aan alsof ik niet helemaal goed bij mijn hoofd was. Hij begreep ook wel dat ik in het Nederlands kon zeggen wie ik was; het moest natuurlijk in het Arabisch. Ik stond met mijn mond vol tanden. Hoe moet je zoiets doen als je letterlijk geen woord van een taal kent? En dan had ik nog niet eens een blik geworpen op het alfabet. Dat je in het Arabisch van rechts naar links leest en schrijft wist ik al en dat de tekens totaal anders zijn dan in ons Latijnse schrift ook. Maar ik had nooit kunnen vermoeden dat je daarnaast ook rekening dient te houden met steeds veranderende lidwoorden, vrouwelijke en mannelijke uitgangen en het gebrek aan klinkers. Gelukkig bleken mijn klasgenoten net zulke groentjes in het Arabisch te zijn als ikzelf en lachten we elkaar bemoedigend en een beetje gegeneerd toe. Er ontstond meteen een band, het ijs was gebroken door onze onderlinge machteloosheid.

Verder merkte ik al snel dat Arabisch, anders dan bijvoorbeeld Frans of Spaans, geen onomstreden taal is om te leren. Ik postte een foto van mijn lesboek op Twitter, waar allemaal zinnen in stonden die voor mij totale abracadabra leken. Daarbij plaatste ik een smiley en de tekst ‘waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen?’ Hoewel ik een aantal aanmoedigende reacties kreeg en er zelfs totale vreemden waren die me aanboden te helpen, duurde het niet lang voordat ene Jan – met een emoticon van de Nederlandse vlag achter zijn naam – wel erg serieus inging op mijn retorische vraag: ‘Ja, daar zeg je wat. Sinds wanneer doen joden ook al mee aan de islamisering van ons land?’

Dat vormde voor mij grappig genoeg een extra motivatie om door te leren. Wie dacht die Jan wel niet helemaal dat hij was met zijn ‘islamisering’? Ik stortte me op woordjes, grammaticale constructies en oefende avondenlang op het schrijven van letters. Net zolang totdat ik mezelf daadwerkelijk in het Arabisch kon voorstellen (ahlan wa sahlan ism’ii Natascha) en kon vragen hoe het met iemand ging (kayfa l-haal?). Als ik langs winkels of restaurants met Arabische letters op de gevel liep bleef ik stilstaan om de woorden te spellen. Wat was studeren toch eigenlijk leuk!

Misschien is het een gek idee, maar waarom zou niet iedereen op latere leeftijd alsnog (of opnieuw) aan een studie beginnen? Je hebt dan geen last meer van bijzaken als ‘erbij willen horen’ of gierende hormonen die je de hele tijd afleiden. Ik zou Jan van Twitter in ieder geval graag een cursusje Arabisch willen aanbieden, al was het maar om hem te laten zien dat Arabisch, ook zonder politieke of religieuze connotaties, gewoon een hartstikke mooie taal is.

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.