Beoordeel onderzoek op wetenschappelijke kwaliteiten

Foto: Reuters
Onlangs was er een relletje in de kranten, op de radio en social media naar aanleiding van een artikel in de NRC. In dat artikel wordt een onderzoeker van de Universiteit van Amsterdam (UvA) beschuldigd van sympathieën voor IS. Zij deed onderzoek naar vrouwen die als bruid van jihadstrijders naar Syrië afreisden. De resultaten van dat onderzoek zijn afgelopen april gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. Daarin stelt de onderzoeker dat een groot deel van de vrouwen die zich als bruid in IS vestigen dat uit vrije wil doen en zelf niet betrokken zijn bij geweld. Maar een heel klein deel van de vrouwen die die kant op is gegaan is zelf politiek dan wel militair actief. Er zullen ongetwijfeld ook vrouwen zijn die onder dwang zijn vertrokken, maar de grootste groep trouwt uit overtuiging met een jihadist en is daar huisvrouw. Dat lijkt me een belangwekkende observatie.

Nu zou dat onderzoek weinig aandacht hebben gekregen ware het niet dat NRC-journalist Andreas Kouwenhoven had geclaimd over sterke aanwijzingen te beschikken dat de onderzoeker onder een andere naam actief is op fora waarin ze propaganda voor IS maakt. Daarmee zouden de uitkomsten van het onderzoek in een ander daglicht komen te staan, beweert hij. Ook verwijt de journalist de begeleiders van het onderzoek, de antropologen Annelies Moors en Martijn de Koning van de UvA, onzorgvuldig te werk te zijn gegaan. Zij zouden niet hebben vermeld dat de onderzoeker sympathieën koestert voor IS, maar vooral zouden zij zich niet gehouden hebben aan de wetenschappelijke gedragscodes van transparantie en openheid. Verder zouden de resultaten op voorhand niet valide zijn want die zouden wel gemanipuleerd zijn. Met andere woorden, het hele onderzoek moest inhoudelijk en wat betreft methode worden gediskwalificeerd. Steun voor deze stelling kwam uit de hoek van promovendus Gert-Jan Geling van de Universiteit Leiden die van mening is dat iemand met dergelijke opvattingen geen onderzoek zou moeten doen.

Over de vraag of de onderzoeker inderdaad sympathie voor IS koestert, ga ik niet speculeren. Het is aan de journalist om dat hard te maken. Het gaat mij om wat anders. De onderzoeker in kwestie wordt van twee dingen beticht. Zij is volgens critici partijdig, dus vooringenomen en daarmee onbetrouwbaar als onderzoeker. Dat zou dan blijken uit het feit dat de onderzoeker niet kritisch genoeg zou zijn over haar informanten. Deze vrouwen maken volgens de onderzoeker eigen keuzes en dat past niet in het beeld dat islamcritici graag naar buiten brengen. Een islamitische vrouw is volgens hen of slachtoffer van onderdrukking of ze is naïef en erin geluisd. De onderzoeksresultaten zouden dus wel eens onjuist kunnen zijn. Dat is een boude stelling. Erachter zit de veronderstelling dat je als onderzoeker kennelijk geen mening kan hebben over dingen waar je onderzoek naar doet, of dat er zoiets bestaat als ‘objectieve kennis’. Maar ben ik als onderzoeker naar armoede vooringenomen en dus niet geschikt als ik van mening ben dat arme mensen geen daders maar slachtoffer zijn? Als dat zo is dan zijn uitgesproken critici van de islam, zoals Gert-Jan Geling, Afshin Ellian, Paul Cliteur en Machteld Zee – om er een paar uit die Leidse stal te noemen – ook niet geschikt om islamonderzoek te doen. Want ook zij zijn partijdig. Een uiterst merkwaardige redenering dus.

De onderzoeker in kwestie is moslim en deed antropologisch onderzoek naar de denkbeelden en motieven van die vrouwen omtrent huwelijk. Om de diepte in te gaan en beweegredenen van mensen te begrijpen moet je een vertrouwensband met je informanten opbouwen en een zekere empathie ontwikkelen. De antropologische onderzoeker leeft zich zo goed mogelijk in, in de groep die wordt onderzocht en juist dit soort onderzoek is een uitermate belangrijke aanvulling op het grootschalige, vaak nogal oppervlakkige onderzoek dat doorgaans wordt uitgevoerd naar jihadisme.

Eerder heb ik in een andere column in deze krant kritiek geuit op het onderzoek van Maarten Zeegers die undercover onderzoek deed onder salafisten in Nederland. Een deel van de pers was lovend over zijn aanpak, maar ik vond zijn methode onethisch en zonder enig respect voor zijn informanten. Dat soort onderzoek naar deze uiterst gevoelige materie vereist een juiste balans tussen vertrouwen, empathie en anonimiteit aan de ene kant en wetenschappelijke transparantie anderzijds. Bij het onderzoek van Zeegers was die balans zoek. In het geval van het onderzoek naar bruiden van jihadisten heb ik geen enkele reden aan te nemen dat ethische of wetenschappelijke grenzen zijn overschreden. Beoordeel het onderzoek op zijn wetenschappelijke kwaliteiten en niet op de veronderstelde partijdigheid van de onderzoeker.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.