Bestaat het recht om met rust gelaten te worden?

Foto: YouTube

Het was een opvallend bericht in de Volkskrant enkele weken geleden. Op het eiland Noord-Sentinel, dat deel uitmaakt van de onder India ressorterende eilandengroep de Andamanen, was een zesentwintigjarige Amerikaanse zendeling gedood door leden van de daar wonende stam, die niet van zijn komst en bekeringsijver gediend waren. Hoewel al bij zijn eerste stappen op het strand beschoten – een pijl doorboorde zijn bijbel – had hij koppig aan zijn roeping om het Ware Woord te verkondigen vastgehouden. Het eiland is volledig van de buitenwereld afgesloten, de Sentinelezen behoren tot de laatste stammen in de wereld die volledig op zichzelf leven en deze status en hun leefwijze wordt door de overheid van India beschermd. Een bezoek aan het eiland is daarom voor niet-inboorlingen verboden, de globalisering stuit hier formeel op een grens.

Logische consequentie van die beschermde status is dan ook dat de staat India zich niet met de leefwijze, zeden en gebruiken van die stam bemoeit. Dat betekent dat ook opvattingen die in onze ogen principieel niet meer door de beugel kunnen – bijvoorbeeld over man-vrouw-verhoudingen of over strafrechtpraktijken – en elders met een beroep op de universele mensenrechten worden bekritiseerd, hier qualitate qua onaantastbaar zouden zijn verklaard. Zo stond de Indiase overheid in het geval van deze Amerikaanse zendeling op een cruciale tweesprong: moest zij na deze moord – want dat was het natuurlijk volgens de Indiase rechtsbeginselen – tot vervolging van de daders overgaan of moest ze deze vorm van eigenrichting – voortvloeiend uit de voor onaantastbaar verklaarde stamcultuur van de Sentinelezen – respecteren.

Daaronder ligt natuurlijk de fundamentele vraag hoe ver het culturele zelfbeschikkingsrecht van de Sentinelezen eigenlijk gaat. Mogen zij intern doen en laten wat zij willen? Mogen zij, met een beroep op de eigen, officieel van staatswege beschermde stamcultuur, er normen en waarden op nahouden die haaks staan op die van de rest van de mensheid (gesteld dat die onder één noemer te vangen zouden zijn)? Ook als die wezenlijke ongelijkheid – bijvoorbeeld waar het de relatie tussen de seksen of vormen van de facto slavernij betreft – zouden impliceren? Of bijvoorbeeld vrouwenbesnijdenis? Of eventueel zelfs kannibalisme en koppensnellerij?

Is de boodschap van de buitenwereld dan aan de stamleden die daarvan het slachtoffer worden dan wel zich daartegen verzetten ‘u zoekt het zelf maar uit’? Onze universele mensenrechten gelden niet voor diegenen die de pech hebben binnen die stam geboren te worden? Wordt hen het recht ontzegd zich aan de greep van de stam te onttrekken? En kijken wij met de handen over elkaar toe als een epidemie uitbreekt die veel slachtoffers maakt en de stamoudste medische hulp van buiten – om wat voor religieuze of politieke reden ook – mocht weigeren?

Hier botsen twee paren waarden op elkaar: cultuurabsolutisme op cultuurrelativisme, en individualisme of collectivisme. Voor de christelijke zendeling – en dat zou ook gelden voor zijn eventuele islamitische evenknie – was de boodschap die hij wilde brengen wereldwijd geldig: iedereen moet door bekering ‘gered’ worden. De logische consequentie van een dergelijk universalisme is cultuurabsolutisme. Er bestaat maar één waar geloof, religies zijn zeker niet in beginsel gelijkwaardig.

Hoe irritant veel ongelovigen deze houding van zendelingen ook vinden, het is een aspect dat die laatsten met veel van hun meest overtuigd atheïstische tegenstanders delen: ook bij fanatieke Verlichtingsadepten is er weinig ruimte voor waarden en dus voor cultuurrelativisme – overal dienen mensen uit de greep van hun ‘achterlijke’ geloof te werden bevrijd. Religie mag voor hen nooit een reden of belemmering vormen om de vruchten van de rationele wetenschap te omarmen, of dat nu vaccinatie betreft of de evolutieleer. En niet alleen de fysiek bewijsbare wet van de zwaartekracht, waarvan de ontdekking de vrucht was van de Verlichting, ook het complex van morele opvattingen over menselijke gelijkheid dat dankzij diezelfde Verlichting in het Westen ingang heeft gevonden, wordt als universeel beschouwd. Wie mensen als gelijkwaardig beschouwt, moet automatisch culturen die dat níet doen niet als gelijkwaardig beschouwen.

Dat betekent: cultuurrelativisme, een legitimatie van praktijken die van die voor universeel verklaarde normen afwijken, met de woorden ‘zo doen ze het binnen die cultuur nu eenmaal’, is binnen deze wijze van redeneren uit den boze. Het is ook direct gekoppeld aan die andere polariteit, tussen collectivisme en individualisme. Cultuurrelativisme impliceert al snel dat de rechten van de groep centraal worden gesteld; de rechten van de individuele leden van die groep zijn daaraan ondergeschikt. De universele mensenrechten, zoals die ook in het VN-handvest terugkeren, gaan uit van de rechten van het individu, dat niet met een beroep op afwijkende eigen groepsnormen door een groep mag worden onderdrukt. Dat geloof in universele mensenrechten valt uiteraard niet los te zien van de globalisering, die de hele wereld een bepaald stempel van ‘moderniteit’ opdrukt en wezenlijke morele cultuurverschillen delegitimeert.

Cruciale morele vraag: mag een stam of volk zich aan de druk van die moderniteit onttrekken? Mag ze de relevantie van door de VN, als collectief orgaan van de rest van de wereld, als universeel geclaimde normen en waarden voor haarzelf ontkennen? Bestaat er een recht om door de wereld met rust gelaten te worden? Die vraag is niet alleen relevant voor de Sentinelezen, maar ook voor stammen in het Amazone-gebied en tot op zekere hoogte ook voor de Inuït in het Pool-gebied en in reservaten levende indianen in Amerika. In India is men daar nog niet uit.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.