Boerkaverbod moet van tafel

Thijl Sunier
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.

Lees meer

Onlangs kwam de kersverse burgemeester van Amsterdam Femke Halsema stevig in het nieuws. Ze had op een bijeenkomst in Slotervaart gezegd dat de handhaving van het ophanden zijnde verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding niet haar prioriteit had. Ze voegde daaraan toe dat het niet bij Amsterdam past om vrouwen met een nikab uit de tram te halen omdat ze in overtreding zijn. Het gaat om de ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’, die in de loop van 2019 zal worden ingevoerd. Die wet, die al twee jaar geleden met een grote meerderheid in de Tweede Kamer werd aangenomen, is in juni van dit jaar ook door de Eerste Kamer goedgekeurd. Het verbiedt het dragen van gezichtsbedekkende kleding in onderwijs- en zorginstellingen, overheidsgebouwen en in het openbaar vervoer. De wet gaat dus ook over bivakmutsen, integraalhelmen of andere attributen waardoor je iemands gezicht niet meer kunt zien. Maar uiteraard is alle aandacht gericht op moslimvrouwen met een gezichtssluier, in de media bekend als de ‘boerka’. Zo werd de wet al snel bekend als het ‘boerkaverbod’.

Dat er zo massaal voor zo’n verbod wordt gestemd ondanks de wettelijke haken en ogen en de uitvoeringsproblemen die de wet met zich meebrengt, is het natuurlijk verklaarbaar in het huidige klimaat. Anti-islamsentimenten spelen hier de boventoon, want wie maakt zich nu druk om iemand die met een helm op in de tram zit? Ook de reactie op Halsema’s uitspraken heeft vooral daarmee te maken en niet of nauwelijks met de staatsrechtelijke vraag of een stadsbestuur landelijke wetgeving kan negeren.

Ook in veel andere landen van Europa zijn zulke ‘boerkaverboden’ door het parlement geloodst. Grote eensgezindheid, want het uitbannen van de gezichtssluier is het achterliggende doel, maar in alle landen die lid zijn van de EU mag geen wetgeving geformuleerd worden die betrekking heeft op de leden van één religieuze gemeenschap – in dit geval islam – of tegen religie in het algemeen. Dat druist in tegen de vrijheid van godsdienst en dat betekent eindeloze rechtszaken. Wetgevers en politici wringen zich in allerlei bochten om de wet zo te formuleren dat ten aanzien van de gezichtssluier optimaal effect wordt bereikt, maar wel binnen de wettelijke kaders. In de onderbouwing van de wet zie je dan interessante verschillen. Zo wordt in de meeste landen communicatie genoemd, maar op verschillende manieren. ‘Als je iemands gezicht niet kunt zien, kun je niet behoorlijk communiceren.’ Probleem is dan natuurlijk dat er wel meer attributen zijn die niet onder de wet vallen maar die wel belemmerend werken voor de communicatie.

In het verlengde daarvan worden veiligheid en identificatieplicht genoemd. Maar het probleem is dat je daarmee op een veel breder en ingewikkelder terrein van rechtshandhaving komt. En bovendien, hoe kom je dan weer terug bij de boerka? Door deze categorie vrouwen publiekelijk te criminaliseren. Zo vergeleek brexiteer en voormalig Brits minister Boris Johnson vrouwen met een nikab met bankovervallers. En in Bulgarije wordt het boerkaverbod gewoon onderbouwd met een verwijzing naar het gewelddadige karakter van de islam. Doen ze daar niet moeilijk over. Dat doet sterk denken aan de argumenten die de Franse regering gebruikte om lange wijde gewaden en sluiers te verbieden ten tijde van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Onder die gewaden kon je namelijk makkelijk een geweer verstoppen en bovendien konden mannen ook een sluier dragen en zo onherkenbaar worden. Dan vind je in sommige wetsvoorstellen ook de formulering dat gezichtsbedekking niet mag als het geen noodzakelijk doel dient. Tsja, wat is een noodzakelijk doel? Als een vrouw met een nikab zegt dat haar geloof dat dragen noodzakelijk maakt? Wie bepaalt wat noodzakelijk is?

In het publieke debat gaat het dus vrijwel uitsluitend over de gezichtssluier en alles wat men daarmee associeert. Daarbij valt op dat de voorzichtigheid die je bijvoorbeeld ruim tien jaar geleden in Frankrijk nog kon waarnemen bij voorstanders van een verbod op het dragen van religieuze symbolen in openbare gebouwen, vrijwel geheel is verdwenen. In naam van de ‘open en vrije, seculiere samenleving’, in naam van ‘onderdrukte vrouwen’ en in naam van ‘respect voor onze zeden’ mogen kledingregels wettelijk worden opgelegd. Daarvoor zetten we graag onze principes even aan de kant.

En dat allemaal om een handjevol vrouwen die op grond van hun geloofsovertuiging hun gezicht willen bedekken. Natuurlijk moet je als tegenstander van zo’n wet niet het argument van de kleine aantallen op tafel leggen. Dat betekent eigenlijk dat je geen probleem ziet zolang het om kleine aantallen gaat. Dat was in wezen ook wat Halsema stelde: waar praten we over? Nee, aantallen mogen geen rol spelen. In naam van ‘onze vrijheid’ – die voor iedereen geldt – moet die wet van tafel.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here