Bosnië, biotoop waarin extremisme uitstekend gedijt

Foto: Reuters. Gornja Maoca.

Bosnië was de afgelopen jaren na België het tweede Europese land met de meeste Syrië-gangers. De Bosnische jeugd radicaliseert in rap tempo. De Joegoslavische oorlogen (1991-2001) legden de kiem voor dit zaadje.

De fundamentalistische interpretatie van de shariawetten zijn er van toepassing. Zwaar gesluierde vrouwen en bebaarde mannen in shalwar kameez bepalen het straatbeeld. Bewoners zeggen bereid te zijn om deel te nemen aan de gewapende jihad. IS-vlaggen hangen aan de gevels van huizen. Het zou zomaar IS-gebied in Syrië of Irak kunnen zijn. In werkelijkheid betreft het hier enkele afgelegen dorpen in het noorden van Bosnië. Op een steenworp afstand van de grens met Europese Unie-lidstaat Kroatië. Der Spiegel betitelt afgelegen dorpjes als Bosanska Bojna, Osve, Donja Slapnica en Gornja Maoca als ‘shariadorpen’ en stelt dat het onderduikadressen zijn voor extremistische rekruteurs die Syrië-gangers werven en helpen om naar Irak en Syrië af te reizen.

De Bosnische samenleving stond altijd bekend om haar milde en losse interpretatie van de islam. Waarom dan toch deze sterke connectie met salafisme en wahabisme? Waar komt dit vandaan?

Even terug naar 1991, het jaar waarin Joegoslavië voor het oog van de wereld desintegreert en het toneel wordt van het meest bloedige conflict op Europese bodem sinds 1945. Slovenië, Macedonië, Kroatië en Servië-Montenegro scheiden zich snel en met relatief weinig bloedvergieten af. Het multi-etnische kruitvat Bosnië explodeert echter. Wat volgt is het horrorscenario van de burgeroorlog, compleet met etnische zuiveringen, vluchtelingen en halfhartige militaire en humanitaire interventies door blauwhelmen. Het conflict heeft een onmiskenbaar religieus randje – het zijn immers Bosnische moslims, katholieke Kroaten en orthodox-christelijke Serviërs die elkaar naar het leven staan. Al snel komen vrijwilligers uit Arabische landen, met aanzienlijke financiële steun uit Saoedi-Arabië en andere Golfstaten, hun Bosnische geloofsgenoten een handje helpen. Net als alle strijdende partijen maken ook de strijders van de moedjahedien zich schuldig aan gruweldaden zoals het onthoofden van Serviërs. Wanneer in 1995 het Dayton-akkoord de oorlog beëindigt, keert het leeuwendeel van de buitenlandse strijders terug naar huis of trekt naar een volgend conflict. Een deel van de gedemobiliseerde moedjahedien blijft echter in Bosnië en legt daarmee de kiem voor de gloeiend hete aardappel die nu op het bordje van de Bosnische regering ligt.

Volgens de Amerikaanse Balkan-expert en voormalig NSA-medewerker John Schindler is Bosnië een soort safe house voor radicalen en beschikt het land over een zeer stabiele terroristische infrastructuur. Europol maakte vorig jaar melding van IS-trainingskampen aan de periferie van de EU en in Balkanlanden. Politiek wetenschapper Vlado Azinovic waarschuwde zelfs dat het gebied rond Velika Kladusa zich ontwikkelt tot een bruggenhoofd van islamitische terroristen naar Noord-Europa.

Igor Golijanin, kabinetschef in Sarajevo, waarschuwde vorig jaar al dat de radicaal-islamistische gemeenschappen in Bosnië sterker werden. Hij signaleerde dat ze steeds meer volgelingen kregen, de overheid steeds minder zicht had op hun netwerken, in sommige dorpen kinderen geen openbare scholen meer bezochten, maar naar private Koran-scholen gingen en accommodaties of instituten die voorheen als trainingskamp werden aangemerkt opereerden onder het mom van niet-gouvernementele organisaties.

Verder krijgen extremisten letterlijk vaste voet aan de grond in het land door het kopen van vastgoed en land in afgelegen streken. Vrijwel altijd met buitenlandse steun. Dat is overigens geen nieuw fenomeen: begin jaren negentig bestond in de buurt van Velika Kladusa een salafistische gemeenschap die royaal werd gesponsord vanuit Saoedi-Arabië en Soedan.

Het blijft de vraag of de overheid überhaupt wel in staat is om de salafistische geest te bezweren. In essentie is Bosnië namelijk een compleet mislukte staat. Het is het product van politieke compromissen en staat- en bestuurskundig knip en plakwerk (het bestaat uit de Federatie van Bosnië en Herzegovina, een Servische Republiek en een autonoom district Brcko). Het wordt afwisselend geregeerd door een Bosniër, een Kroaat en een Serviër, over hun schouder gekeken door de Verenigde Naties, die toezien op naleving van het Dayton-akkoord. Het land is instabiel, volkomen gedestabiliseerd door jaren van oorlog, corruptie en nepotisme tieren er welig en de bevolking is tot op het bot getraumatiseerd. Ondanks de miljarden aan ontwikkelingshulp stelt de economie nog steeds helemaal niets voor en is bijna twee derde van de Bosnische jongeren werkloos. Kortom, een biotoop waarin extremisme uitstekend gedijt.

DELEN