Credo

freedom.jpg
Foto: © AP

Jaren geleden woonde ik de begrafenisdienst bij van een oud-buurmeisje in de gereformeerde kerk, een traditie waarin ik bescheiden wortels heb. Toen ik de kerk binnenkwam, ervoer ik de warmte van de godsdienst van weleer en ik voelde me verheven boven tijd en plaats. Dat gevoel werd nog versterkt door de orgelmuziek die me ontroerde en de zang die me zo bekend was.

Dat gelukzalige gevoel – het klinkt wat raar als je dat krijgt tijdens een begrafenisplechtigheid – werd wreed verstoord toen de voorganger het woord nam. Hij wees de rouwenden erop dat wij allen zondaars zijn in de ogen van God en alleen maar verlost kunnen worden door het bloed van Jezus Christus, Gods zoon. De preek maakte mij klein en nietig en weg was mijn goddelijke gevoel. Ik wilde eigenlijk direct weglopen, maar dat kon natuurlijk niet. Ik voel me geen zondaar. Ik heb niets verkeerd gedaan waarvoor ik Gods vergeving nodig heb. En als ik al iets verkeerd heb gedaan, dan neem ik daarvoor de verantwoordelijkheid en probeer ik de schade te herstellen, voor mezelf en voor de ander. Ik moet niets hebben van het religieuze schuld-en-boeteritueel.

Nadat ik in 1977 Arabisch ben gaan studeren, ben ik meermaals in islamitische landen geweest. Vooral in Egypte en Marokko, maar ook in Turkije. Ik heb het er altijd naar mijn zin gehad. De Arabische, Berberse, Turkse en islamitische culturen zijn buitengewoon gastvrij en dat maakte dat ik me als gast en als man ook altijd zeer welkom voelde bij mijn vrienden en relaties. De islam is, zo stelde ik verder vast, prettig rationeel en pragmatisch. Hoe vaak hoorde ik in Egypte mijn vrienden niet zeggen: ”inta horr” (je bent vrij). Vrij, meerbepaald, om te doen wat je wilt. Werden er in mijn omgeving of door mijzelf fouten gemaakt ten opzichte van anderen, dan volgde daar meestal geen zware schuld-en-boetetocht op, maar een praktische manier om de zaken weer te herstellen. Niks calvinisme in de islam!

Maar het feit dat ik man was en ben, maakt wel een wereld van verschil. De vrijheid die ik in de islamitische wereld voelde, is niet weggelegd voor al mijn westerse vriendinnen en vrouwelijke collega’s. Voor hen is de bewegingsvrijheid aanzienlijk beperkter. Ik ben me daar altijd bewust van geweest. En er was nog iets. Buiten de dagelijkse praktijk van het leven van moslims was er verder weinig dat ik aantrekkelijk vond in de islam. Het is me allemaal veel te wettisch. Er zijn te veel regels waar je je aan moet houden. En ik ervoer weinig spirituele diepgang.

Bovendien vond ik de alomtegenwoordigheid van de islam in de islamitische samenleving te veel van het goede, vooral dan tijdens de Ramadan, wanneer een heel land feitelijk stil komt te staan. Ik vind dat zonde van de tijd, hoewel ik besef dat de criteria voor functioneren en gelukkig zijn anders liggen in de islamitische wereld.

Religie heeft zo dus zijn aantrekkelijke kanten voor mij: de muziek en sfeer in de gereformeerde kerk en de ongelooflijke gastvrijheid in de islamitische landen. Maar de leer en de praktijk van de leer staan me niet aan.

Waarom dan toch opkomen voor de moslims in Europa? Die vraag wordt me van tijd tot tijd voor de voeten geworpen door mijn politieke vrienden én mijn politieke tegenstanders.

Mijn stelling, met name in het debat over PVV en haar ideologie, is altijd de volgende geweest: als een partij een politiek voorstaat van uitsluiting van een groep (in het geval van PVV de moslims) en zo’n politiek op den duur een realiteit wordt, kan het niet anders dan dat andere groepen ook volgen. Een partij die de ‘ander’ afwijst, wijst uiteindelijk alle ‘anderen’ af. Dus na de moslims komen de Oost-Europeanen (waarvan acte!), de Roma en uiteindelijk ook de homoseksuelen aan de beurt. Dat leert de geschiedenis ons van partijen die aanstuurden op uitsluiting en die later de macht in handen kregen.

Omdat ikzelf ook tot een minderheid behoor, als man die samenleeft met een andere man, werp ik me op als verdediger van de vrijheid van iedere ‘ander’. Onder het Latijnse motto: ”hodie mihi, cras tibi” (vandaag ik, morgen jij). Of beter gezegd ”hodie tibi, cras mihi” (vandaag jij, morgen ik).

Jan Jaap de Ruiter is arabist aan de Tilburg University. Hij houdt zich bezig met de status en rol van het Arabisch en de islam in West-Europa en Marokko. Hij publiceert over beide thema’s in diverse talen, waaronder in het Frans, en gaat het debat erover aan in nationale en internationale context. In heden en verleden heeft hij in menig Nederlands en Europees onderzoeks- en ontwikkelproject geparticipeerd. Volg hem op Twitter: @janjaapderuiter

DELEN
Jan Jaap de Ruiter
Arabist aan de Tilburg University.