Cyprus: make Turkey great again

Foto: Reuters
Het vormde lange tijd één van de belangrijkste barrières voor Turkije’s lidmaatschap van de Europese Unie: de Cyprus-kwestie. Het punt is echter al enige jaren van de radar verdwenen, omdat er inmiddels veel grotere belemmeringen voor het slagen van de toetredingsonderhandelingen zijn ontstaan. Cyprus is sinds de Turkse inval van 1974 in twee helften verdeeld, waarbij alleen de regering van de Griekse helft door de Europese landen als wettig wordt erkend. Sinds Cyprus dankzij Griekse chantage – ‘anders blokkeren wij ook met ons veto de toetreding van alle Oost-Europese kandidaten’ – in 2004 lid werd van de Europese Unie, hangt de kwestie als een molensteen om de nek van Brussel.

De opzet van indertijd – het plan van de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan – om middels een referendum op het eiland over een herenigingsplan van de ‘Griekse’ en ‘Turkse’ helften de tweedeling op te heffen, was mislukte jammerlijk. Daarmee werd voor de zoveelste keer de veelvuldige illusie in diplomatieke kring, dat men van buitenaf iets dergelijks met rationele argumenten en het voorhouden van een wortel kan afdwingen, beschaamd. De Turkse inwoners van het eiland stemden namelijk in meerderheid voor, de Griekse in meerderheid tegen. Het dankzij Athene’s veto afgedwongen bizarre resultaat was vervolgens dat Grieks-Cyprioten voor hun obstructie met het EU-lidmaatschap werden beloond en de Turks-Cyprioten voor hun meegaandheid werden bestraft. Daarmee was de hereniging van de baan en de stok achter de deur om Grieks-Cyprus te bewegen daaraan mee te werken, verdwenen. Men was binnen. Nadien ook anderszins niet tot onverdeeld genoegen van Brussel, zoals tijdens de kredietcrisis van 2008 bleek, toen Cyprus een bancaire vluchtheuvel bleek voor het maffiose grote Russische geld.

Belangrijker was dat, ook toen men in Brussel er nog wel van uitging dat Recep Tayyip Erdogan Turkije democratischer zou maken, Ankara en Athene ten aanzien van Cyprus bikkelhard tegenover elkaar bleven staan: Turkije weigerde de regering van Grieks-Cyprus als gesprekspartner te erkennen en in het verlengde daarvan om schepen van Cyprus in Turkse havens toe te laten. Dat punt is sindsdien als een zwaard van Damocles boven de toetredingsonderhandelingen blijven hangen. Het speelde twaalf jaar terug tijdens het Nederlandse Europese voorzitterschap, toen toenmalig premier Jan Peter Balkenende en minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot uit Ankara terugkeerden en verklaarden dat de kern van de kwestie was opgelost. Alleen de precieze uitwerking moest over een paar maanden geschieden. Daarmee kwam dat op het bordje van de Britten, die in het najaar van 2004 Nederland als voorzitter opvolgden. Die zijn er ook niet uitgekomen.

Nu lijkt er plotseling nieuwe hoop te zijn: de leiders van de Grieks- en Turks-Cyprioten praten over een oplossing van het al bijna een halve eeuw durende conflict. Tot de belangrijkste pijnpunten behoort de toekomstige staatkundige structuur en de eventuele terugkeer van de in 1974 uit ‘andermans’ eilandhelft verdreven/gevluchte Grieks- en Turks-Cyprioten naar hun oude huizen, die intussen al lang door anderen worden bewoond. Moet er, als zo’n terugkeer om die reden niet mogelijk is, omdat die immers een nieuwe gedwongen verhuizingsgolf zou veroorzaken, voor de ontheemden schadevergoeding komen? Het is een vraag die ons maar al te bekend voorkomt van een conflict even verderop in de regio: het nog veel hopelozer (want ook nog eens veel sterker religieus getinte) conflict tussen Israël en Palestina.

De deling van Cyprus herinnert ook aan de deling van Ierland en daaruit vallen ook voor Cyprus enige lessen te trekken. Net als in het geval van Cyprus had ook de Noord-Ierse kwestie twee dimensies: een plaatselijke tegenstelling tussen beide (de pro-Ierse en pro-Britse) bevolkingsgroepen in het gebied zelf en een nationaal-ideologische tussen beide landen op de achtergrond. Wat hier een belangrijke voorwaarde voor het bereiken van vrede was, was dat zowel de bewoners van de republiek Ierland als van het Verenigd Koninkrijk inmiddels in overgrote meerderheid waren gaan vinden dat de oplossing vooral aan de inwoners zelf moest worden overgelaten. Dat gaf Dublin en Londen de mogelijkheid om hun eigen (botsende) claims te laten varen, en de Ierse en Britse premier de ruimte om een bemiddelende rol te spelen. De tweede belangrijke factor was de Europese éénwording, waardoor – met het wegvallen van de grenzen – de vraag waarbij Noord-Ierland staatkundig behoorde, een deel van zijn brandbaarheid verloor. Momenteel merk je alleen aan details dat je hier een staatsgrens overschrijdt – kilometers worden mijlen – en dat geeft de Ierse nationalisten een beetje het gevoel dat Ierland weer één is en de Britse unionisten dat gewoon nog heel Ierland deel uitmaakt van het Verenigd Koninkrijk. Met de brexit staat dat onder druk – vandaar de groeiende onrust in Belfast.

Voor Cyprus betekent dat, dat het niet alleen van belang zal zijn dat de Turkse en Grieks-Cyprioten elkaar kunnen vinden, maar ook dat Athene en Ankara eigen nationalistische sentimenten – ‘Cyprus is van ons’ – weten te bedwingen, in plaats van (om binnenlandse redenen) op te stoken. Momenteel valt in deze van Athene, met het linkse Syriza aan de macht, vermoedelijk minder te vrezen dat het als stoorzender optreedt, dan van Ankara, waar Erdogan juist op de Ottomaans-imperialistische trom slaat, onder het Trumpiaanse motto make Turkey great again. Turks-Cyprus weggeven aan een verenigd Cyprus, waarin de Grieken getalsmatig veruit in de meerderheid zijn, past daar niet in.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.