De andere kant van de muur

Foto: Reuters

Op 22 mei 1967 besloot de Egyptische president Gamal Abdel Nasser de Straat van Tiran voor de Israëlische scheepvaart te sluiten. Ook de rest van de Arabische wereld sloeg dreigende oorlogstaal uit. De Israëlische bevolking was bang dat het jonge land van de kaart zou worden geveegd, en de regering van Israël besloot preventief aan te vallen. Tussen 5 en 10 juni vond een zeer heftige oorlog plaats, die Israël tegen ieders verwachting in won. Het land veroverde de Gazastrook, de Sinaï, de Westelijke Jordaanoever en de Hoogten van Golan. Mijn oma vertelde me altijd dat ze pas vanaf dat moment openlijk durfde te vertellen dat ze joods was, omdat er opeens een golf van euforie door Nederland sloeg. Men had niet gedacht dat joden zo sterk en heldhaftig konden zijn. Tot die tijd overheerste het beeld van ‘de zielige joden’, die zich in de oorlog als schapen naar de slachtbank hadden laten leiden. Voor mij was de Zesdaagse Oorlog dan ook iets om trots op te zijn.

In de jaren na de Zesdaagse Oorlog werden sommige door Israël veroverde gebieden (gedeeltelijk) teruggegeven, maar de de Westelijke Jordaanoever bleef in Israëlische handen. Mijn vader en moeder vertelden me dat de Palestijnen die daar woonden niet goed werden behandeld. Als tiener zette ik me af tegen alles en iedereen, en vooral tegen mijn linkse ouders, dus schreeuwde ik tegen hen dat die Palestijnen zich niet zo moesten aanstellen. Van andere mensen uit de joodse gemeenschap hoorde ik namelijk dat de Palestijnen de bezetting over zichzelf hadden afgeroepen. Zij pleegden immers bloedige aanslagen met het uiteindelijke doel om heel Israël in te nemen.

Jarenlang ging ik iedere zomer op vakantie naar Tel Aviv. Daar was ik vooral bezig met feesten. Maar toen ik 25 was vroeg ik me af wat er aan de andere kant van de muur gebeurde. Waren de mensen die daar woonden echt monsters, zoals ik zo vaak om me heen hoorde? Ik besloot uit mijn veilige bubbel te stappen en bracht een bezoek aan Hebron. Om daar te komen moest ik langs een checkpoint, waar ik zag hoe Palestijnen in de brandende zon stonden, terwijl hun paspoorten eindeloos werden gecontroleerd door Israëlische soldaten. Hoewel ik zelf meteen mocht doorrijden, stapte ik uit.

Op die plek ontmoette ik voor het eerst in mijn leven een Palestijn. Mahmoud was geen monster, maar een vriendelijk ogende vader van drie kinderen. Hij vertelde me dat hij met een speciaal visum naar Israël kon om te werken, maar dat hij iedere nacht om vier uur moest opstaan, omdat hij nooit zeker wist hoelang hij precies moest wachten. Soms werd hem de toegang alsnog ontzegd, zonder reden. Ik vervolgde mijn reis via een weg die speciaal was aangelegd voor joodse kolonisten, daar mochten geen auto’s rijden met een Arabisch nummerbord. In Hebron zelf zag ik ook weer de segregatie. Dit keer in de vorm van trottoirs: er waren aparte stoepen voor de ruim 163.000 Palestijnen en de circa negenhonderd joodse kolonisten.

Het is deze week precies vijftig jaar geleden dat de Zesdaagse Oorlog plaatsvond en ik ben er niet langer trots op. Tegenwoordig wil ik niets liever dan dat de bezetting ophoudt. Sommige joden denken daardoor waarschijnlijk dat ik heul met de vijand of Israël haat. Dat is de grootst mogelijke onzin, want als ik Israël daadwerkelijk zou haten, zou het me niets kunnen schelen. Vaak bouwen mensen muren om zich veiliger te voelen. Toch zal de angst niet afnemen door deze constructie van schijnveiligheid. Integendeel, als je elkaar niet ontmoet, kun je er ook niet achterkomen dat je misschien wel meer op ‘de ander’ lijkt dan je ooit zou durven dromen.

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.