De culturele kern van het integratieconflict

CHINATOWN-MANHATTAN.jpg
Foto: © AP. Chinatown in New York.

”2014 was een slecht Integratiejaar”, aldus op 29 december Volkskrant-columnist René Cuperus terugblikkend. Ter illustratie passeerden de Schilderswijk-confrontatie, de anti-Marokkanen-hetze van Geert Wilders, het Zwarte Piet-oproer en de afscheiding van twee PvdA-Tweede Kamerleden met een Turkse achtergrond de revue. Allemaal voorbeelden van kwesties waarbij bevolkingsgroepen langs etnische en/of godsdienstige lijnen tegenover elkaar kwamen te staan. Met dat laatste, die confrontatie langs godsdienstige lijnen, heeft Nederland overigens eeuwenlange ervaring: vanaf de Opstand tegen Spanje was het multiconfessioneel, ook al deden de calvinisten alsof ieder ‘echte’ Nederlander vanzelfsprekend calvinistisch was.

De ‘oplossing’ voor dit probleem van grote interne verdeeldheid vond men vanaf het midden van de negentiende eeuw – toen die vanzelfsprekendheid als gevolg van de emancipatie van katholieken, joden, lutheranen en kleinere protestantse genootschappen niet langer meer vol te houden viel – in de verzuiling en in wat de gereformeerde voorman Abraham Kuyper rond 1900 ‘soevereiniteit in eigen kring’ noemde. Pas met de snelle ontkerkelijking vanaf de jaren 60 – dus aan de vooravond van de grote immigratiegolf uit de islamitische wereld – verdween de verzuiling, en integreerden de meeste volksdelen tot één volk. Het belang van eenieders persoonlijke religieuze overtuiging voor zijn maatschappelijk functioneren nam af; het religieuze werd van politiek nu privé. Alleen in de orthodox-protestantse ‘Bible Belt’ bleef de verzuiling recht overeind, bijvoorbeeld in het onderwijs: te nauwe omgang met ruimdenkenden zou goedgelovige kinderen maar op het foute godsdienstige pad kunnen brengen.

Maar wat is integratie eigenlijk, en in hoeverre is het gebrek daaraan een probleem? Vraag je blanke Nederlanders waar de pijn zit, dan luidt het antwoord vaak: overlast, al dan niet (Marokkaanse straatjochies) met een crimineel karakter. De paradox daarvan is deze: tegenover etnische integratie staat etnische segregatie, en in een gesegregeerde samenleving zou die overlast juist minder zijn. Als ieder, op basis van een soort ‘Apartheidsbeginsel’ in zijn eigen wijk woont – zoals dus nog de Molukkers in Nederland, maar ook protestanten en katholieken in Noord-Ierland – is van integratie geen sprake, maar hebben diverse bevolkingsgroepen tegelijk natuurlijk ook minder last van elkaar. Gedeeltelijk is dat, door ‘natuurlijke’ selectie de uitkomst in de Verenigde Staten, dat als geslaagde ‘melting pot’ vaak Europa als lichtend voorbeeld wordt voorgehouden hoe met immigranten om te gaan. Wie van het miljoenen-metropool-niveau van multicultureel New York echter inzoomt op wijkniveau, ontdekt dan al snel dat ook daar buurten bestaan, waar één bepaalde etnische minderheid domineert: soort zoekt soort, en zeker migranten klitten in den vreemde graag bij elkaar. Elke Amerikaanse stad kent wel z’n Ierse wijkje, z’n Italiaanse wijkje, z’n Chinatown.

Chinatown. Die hebben Amsterdam en Den Haag ook (een beetje). Juist die Chinese minderheid demonstreert hoe problematisch het soms kan zijn om een gebrek aan integratie als het hoofdprobleem te zien. Als je integratie definieert in termen van alledaagse omgang en vermenging – bijvoorbeeld door huwelijken – met andere etnische groepen, dan komen de Nederlandse Chinezen misschien wel als de minst geïntegreerde minderheid uit de bus. Maar tegelijk gelden zij ook als de minst problematische, en geen autochtone Nederlander ziet hen als bedreiging. De reden: de criminaliteit is laag, de groep bedruipt zich sociaal-economisch volledig zelf, en van de (wel degelijk bestaande) Chinese afpersersmaffia hebben vooral Chinese middenstanders zelf last.

Het verschil in de huidige autochtone perceptie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders heeft eenzelfde achtergrond. De tweede groep heeft gemiddeld meer contact(en) met autochtone Nederlanders dan de eerste; ook etnisch gemengde huwelijken komen er vaker voor. De Turkse Nederlanders staan meer op zichzelf – maar bedruipen zich ook meer zelf. Er is minder jeugdwerkeloosheid, dus minder verloren op straat hangende jeugd, dus minder overlast en jeugdcriminaliteit. De maatschappelijke zelfredzaamheid is door meer interne sociale cohesie groter – net als bij de Chinezen.

De keerzijde van grotere interne sociale cohesie kan echter, omdat zij vaak gepaard gaat met patriarchale omgangsvormen, iets zijn dat op een wezenlijke westerse waarde botst: de individuele vrijheid van volwassen burgers om los van morele familie-‘verplichtingen’ hun leven naar eigen inzicht in te richten. De sociale groepsdruk – als je van de norm op het gebied van seks, drank of eetgewoontes afwijkt, maak je ons allemaal te schande – is vaak groot. Daarover stond 20 december in de NRC een lezenswaardig portret van Elou Akhiat, die in eigen kring aanstoot gaf door als Marokkaanse Nederlandse in Rotterdam een wijnbar te beginnen. In die botsing van juridische individuele grondrechten en sociale collectieve verplichtingen schuilt de culturele kern van het integratieconflict.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.