De ene bekeerling is de andere niet

Foto: Reuters
”Paris vaut bien une messe”: Parijs is wel een mis waard. Met deze beroemde woorden legitimeerde de protestant Hendrik IV (1553-1610) zijn bekering tot het katholicisme om in 1589 koning van Frankrijk te kunnen worden. Een eeuw later nam de protestantse keurvorst van Saksen met het oog op de Poolse kroon dezelfde stap. Eén van de meest fameuze gevallen van religieus opportunisme uit de achttiende eeuw bood de Pruisische baron Karl Ludwig von Pöllnitz (1692-1775), een Casanova-achtige avonturier die van hof naar hof trok en daarbij regelmatig van protestant tot katholiek converteerde, of andersom, al naar gelang ter plekke beter uitkwam, in totaal wel zeker een keer of zes.

De komst van veel vluchtelingen uit Syrië en andere landen in het Midden-Oosten confronteert ook Nederland zo plots met een verschijnsel dat het ontwend is geraakt, en waarvan we dus niet precies weten hoe we het moeten beoordelen: met bekeringen, in dit geval van moslim tot christen. In diverse gevallen roept dit ook bij de kerken die zo nieuwe leden mogen bijschrijven, vragen op: gaat het om een bekering uit overtuiging, of om een bekering uit opportunisme?

Thans is dat voor de meeste Nederlanders immers vrijwel ondenkbaar geworden: dat je van geloof wisselt met het oog op je carrièrekansen. We kennen al meer dan anderhalve eeuw scheiding van kerk en staat, en godsdienst is een privézaak geworden. Toen twee jaar terug een Nederlands kraanbouwbedrijf, ten einde een opdracht nabij de Kaäba binnen te slepen, haar werknemers tijdelijk moslim liet worden, was dat goed voor de krant. Of die werknemers ook zo ver gingen als de Nederlandse Arabist Snouck Hurgronje (1857-1936), die zich in 1885 zelfs liet besnijden om zonder risico als ‘pelgrim’ Mekka binnen te komen, bleef daarbij onduidelijk. De undercoveractie van Hurgronje doet daarbij denken aan de huidige van Maarten Zeegers: een antropologische studie mogelijk gemaakt door vermomming.

Daar waar geen vrijheid en gelijkheid van godsdienst bestaat, bekeren zich echter altijd regelmatig grote groepen mensen tot het dominante geloof, met het oog op betere toekomstperspectieven, of, in extremere gevallen, om letterlijk hun huid te redden. Dat was vroeger ook in Europa het geval. In Andalusië zagen, na de verovering van Granada (het laatste restant van het grote kalifaat van Cordoba) door Spanje in 1492, de joden zich voor de keuze gesteld om zich of te bekeren, of te vertrekken – velen kozen voor het eerste, ook al bleven ze dan soms in het geheim nog lang hun oorspronkelijke riten trouw. In Frankrijk stelde Lodewijk XIV (1638-1715) met de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 de protestantse Hugenoten voor dezelfde keus: katholiek worden of het land uit – of het gevang.

In vrijwel heel Europa bepaalde tot de Verlichting de vorst het geloof van zijn onderdanen. En nadien kwam er wel vrijheid van godsdienst, maar in de praktijk betekende dat niet meteen ook gelijkheid van godsdienst. In Nederland hadden protestanten lang maatschappelijk een streepje op de katholieken voor, die werden gediscrimineerd en niet voor vol aangezien.

Nog bij het huwelijk van prinses Irene in 1965 stak in protestantse kring een storm van verontwaardiging op dat zij omwille van haar huwelijk met een Spaanse troonpretendent katholiek geworden was. En ook de komst (zonder bekering) van de katholieke Maximá leidde bij de orthodox-gereformeerde SGP tot gefronste wenkbrauwen, terwijl al eerder het feit dat ex-koningin Juliana (1909-2004) op de bruiloft van één van haar kleinkinderen óók van de hostie gesnoept had, opzien baarde.

Hoe dan ook: wij hebben in Europa inmiddels – van het Koninklijk Huis afgezien – weinig ervaringen meer met ‘zakelijk’ gemotiveerde bekeringen. Dat komt, omdat geloof er inmiddels voor iemands loopbaan zo weinig meer toe heet te doen, dat het door de gelovigen zelf inhoudelijk serieus kan worden genomen, zonder enige maatschappelijke bijbedoelingen.

Dat maakt bekeringen in onze ogen snel een stuk oprechter, dan in vroeger eeuwen het geval was. Tegelijk is in het seculiere Nederland geloof als zodanig dermate privé en onbelangrijk geworden, dat veel autochtonen zich verbazen wanneer mensen überhaupt nog op grond van een bewust veranderde overtuiging van kerk wisselen; de meeste christenen zijn immers niet katholiek of protestant als gevolg van eigen keuze, maar omdat zij in een bepaald nest zijn opgegroeid.

In sommige islamitische landen worden christenen (en zeker tot christenen bekeerde moslims) echter van overheidswege vervolgd en/of vanuit hun omgeving bedreigd, en daardoor heb je als christen uit Iran in de asielprocedure een grotere kans op een verblijfsvergunning dan als moslim. Valt het iemand kwalijk te nemen dat hij of zij met het oog op een betere toekomst van geloof wisselt, zoals dat eeuwen lang ook in Europa is gebeurd? Dat is het paradoxale: juist omdat in een land als Iran het geloof veel serieuzer wordt genomen dan hier, zijn sommigen geneigd hun eigen geloofsovertuiging een stuk minder serieus te nemen, omdat hun toekomstperspectieven er veel sterker van afhankelijk zijn.

Uiteraard levert zo’n bekering soms wel eens komische taferelen op – zoals een kersvers gedoopte ex-moslima, die recent bij een maaltijd vroeg, of die wel halal is: iets wat zij zich nu als christen immers niet meer dient af te vragen. Aan de oprechtheid van haar bekering hoeft dat overigens niets af te doen, dat oud en nieuw nog even door elkaar lopen.

Dat was ooit in Europa, toen dat gekerstend werd, ook niet anders. Ook toen bleven oude niet-christelijke opvattingen en gebruiken nog lang naast de nieuwe christelijke bestaan, of werden beide tot iets nieuws versmolten. Daar danken we zowel Sinterklaas als Kerstmis aan – tradities met een heidense oorsprong, die door een christelijk sausje tot religieus-correcte festijnen werden getransformeerd.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.