De ene God is de andere niet

Thomas von der Dunk
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.

Lees meer

Het hoorde tot de opvallende faits divers in het nieuws van de afgelopen weken: ex-PVV-politicus Joram van Klaveren, ooit fanatiek bestrijder van de islam, is moslim geworden. Het Haagse gewezen PVV-raadslid Arnoud van Doorn ging hem daarin al in 2012 voor: ook een transformatie van ‘moslimbasher’ naar ‘moslimknuffelaar’, om even naar de gangbare twitterterminologie te grijpen.

Van Saulus tot Paulus, om nu het bekendste bijbelse voorbeeld te nemen: dat blijft toch altijd een verbazingwekkende stap. Om te beginnen moet dan ook gezegd worden dat die stap niet zo vaak voorkomt. Christenen die moslim worden, moslims die christen worden, of christenen die de katholieke variant voor een protestantse inruilen, dan wel omgekeerd – ze zijn er, ook in Nederland, maar zij blijven een minderheid, het gaat niet om vele duizenden per jaar. De meeste Europeanen die de geloofsgemeenschap waarbinnen zij ‘als vanzelfsprekend’ opgegroeid zijn op een gegeven moment vaarwel zeggen, worden nadien niets.

Meestal is dat dan omdat ze niet meer in de belangrijkste leerstellingen geloven en de daarvan afgeleide leefregels als een knellend korset zijn gaan ervaren. Secularisatie, niet bekering tot een nieuwe Waarheid, is in ons werelddeel het gebruikelijke patroon – daarbuiten ligt dat overigens anders. Denk aan de groei van de Pinkstergemeentes ten koste van de katholieke kerk in Latijns-Amerika – belangrijk deel van de aanhang van de nieuwe Braziliaanse president Bolsonaro – of juist van de katholieke kerk in het Verre Oosten en India.

Van bestrijding van een geloof naar bevrijding door datzelfde geloof is dan een nog grotere stap. Want alhoewel elk geloof, mits het iets voorstelt, toch op een of andere wijze pretendeert de waarheid in pacht te hebben en dus de waarheden van de anderen uit te sluiten, staat het zich afzetten tegen andere godsdiensten in het alledaagse leven van de meeste gelovigen niet centraal. Zeker, er zijn in de liturgie soms wat vaste, sleetse formules over ketters en ongelovigen te vinden – waarbij ketters erger dan ongelovigen zijn, omdat de laatsten het licht niet hebben gezien en dus niet beter kunnen weten, terwijl de ketters het licht wel hebben gezien maar er vervolgens niets van willen weten.

Maar daarop wordt in Europa in de regel niet te veel nadruk gelegd; theologische scherpslijpers zijn in de minderheid. Die vindt men overigens vaak vooral in de kring van convertieten, die immers bewust een keuze tot overstappen hebben gemaakt en die vervolgens – voor zichzelf en voor de buitenwacht – moeten legitimeren, waar de meeste mensen hun geloof hebben geërfd, en niet beter weten dan dat zij net als de rest van hun familie zijn wat ze zijn. De eigen geloofsgemeenschap is hun ‘natuurlijke’ habitat. Zij hebben niet plots als Saulus-Paulus het licht van de goddelijke schijnwerpers gezien, maar zijn bij een langzaam in spaarstand aangaande schemerlamp religieus grootgebracht.

Bij Van Klaveren lijkt het nog een stap verder te gaan: het betreft niet een overstap van het ene ware geloof naar het andere ware geloof, maar vanuit het ongeloof naar een geloof. En dat is natuurlijk nog net iets opmerkelijker. Want alle godsdiensten delen tenminste één ding: het geloof in God. Weliswaar telkens een andere God, of tenminste een ander Godsbeeld, maar toch: het geloof in (een) God. Dat lijkt mij een basisvoorwaarde om je bij een godsdienst aan te sluiten.

Nu kan ik mij best voorstellen dat je na bestudering van geschriften die je eerst, zonder ze te lezen, als kwalijk verketterd hebt, tot de constatering komt dat die geschriften toch géén kwalijke gedachten en misschien zelfs wel heel diepe wijsheden bevatten. Misschien dat ik dat na lezing van bepaalde bijbelverzen of soera’s ook zou concluderen: dat hebben ze indertijd toch heel mooi gezegd en daar kunnen we ook nu als mensen anno 2019 nog best wat mee.

Alleen – en dat zou voor mij, zelfs als ik dat bij pakweg negentig procent van hun oude teksten zou concluderen, toch een belangrijke belemmering vormen om mij vervolgens als christen of moslim te beschouwen – leidt die constatering van lofwaardig mensenwerk niet automatisch ook tot een geloof in God. Ik kan de onbaatzuchtige daden en hoogstaande morele opvattingen van sommige gelovigen prijzen en waarderen, zonder ook meteen dát over te nemen.

Dus de cruciale vraag is: wat heeft Van Klaveren ertoe gebracht om dat wél te doen? Het is namelijk dit waarin zijn overgang van islambasher tot islamadept essentieel verschilt van veel andere politieke sprongen van het ene naar het uiterste – bijvoorbeeld, zoals ze op 9 februari in de Volkskrant werden genoemd, die van marxist tot fascist bij de gewezen Duitse RAF-advocaat Horst Mahler, of nog veel eerder bij Mussolini (ofschoon het bij de Duce eigenlijk al iets ingewikkelder lag).

Hierop wordt dan vaak het hoefijzermodel losgelaten: les extrèmes se touchent. Radicalen kunnen niet leven met de onvolkomenheid en complexiteit van de wereld en brengen daarom al het Kwaad tot één kernoorzaak terug. Welke dat is, is dan vaak tijdgebonden en dat verklaart soms zulke switches op latere leeftijd. De Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging was op zijn twintigste radicaal marxist, op zijn dertigste radicaal libertair, op zijn veertigste radicaal conservatief. Ik heb indertijd eens in een debat vriendelijk geïnformeerd wat hij nog niet had gehad en op zijn vijftigste zou zijn. Hij vond dat geen leuke vraag.

Afgaande op de uitlatingen van Van Klaveren in een ander Volkskrant-katern diezelfde negende februari is hij overigens een gematigde convertiet. Als één van zijn fouten beschouwde hij het feit dat hij de islam vroeger exclusief aan het wahabisme gelijk had gesteld, waarvan hij niets moest hebben. En dat moet hij nu nog steeds niet – anders dan andere bekeerden is hij nu niet de jihad gaan prijzen die hij vroeger zo fel bestreed. Wat dat betreft toch geen echte Paulus.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here