De integratiegehaktmolen

Foto: Reuters
Op 2 april werd in Rotterdam herdacht dat precies 65 jaar geleden ruim 12.000 Molukkers vanuit Indonesië naar Nederland werden verscheept. Het ging om militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, van de Koninklijke Marine, en politiefunctionarissen en hun gezinnen. Zij hadden voor het Nederlandse koloniale bewind gewerkt en hun positie was onzeker in het land waar een koloniale oorlog woedde. Het was de bedoeling dat ze tijdelijk in Nederland zouden verblijven totdat het Nederlandse koloniale gezag ”orde op zaken” had gesteld. De eerste groep werd door de immer pragmatische Nederlandse regering ondergebracht in kamp Westerbork, van waaruit enige jaren daarvoor nog joden door het naziregime naar de vernietigingskampen werden afgevoerd. De Molukkers hadden gehoopt dat de Nederlandse regering hen zou steunen in hun streven naar een onafhankelijk Molukken, maar dat pakte allemaal anders uit. Om te beginnen had de Nederlandse regering geen boodschap aan dit onafhankelijkheidsstreven. Men wilde na de oorlog gewoon de draad weer oppakken. In Indonesië zelf consolideerde de nieuwe regering van de archipel zich onder leiding van Soekarno (1901-1970) en het ideaal van een onafhankelijke Molukse republiek lag verder weg dan ooit. Het tijdelijk verblijf werd gaandeweg een permanent verblijf.

De eerste generatie legde zich tegen wil en dank neer bij de situatie en werd in 1986 afgekocht met een penning en een schamele toelage. Wat overbleef was heimwee naar thuis en het gevoel dat de Nederlandse regering hen in de steek had gelaten. Maar onder de tweede generatie werd het ideaal van een onafhankelijk Molukken weer springlevend. Een kleine groep koos voor de gewapende strijd en was van mening dat de Nederlandse regering hier ook het nodige te verwijten viel. Dat resulteerde in de beruchte treinkapingen in de jaren 70.

Nederland had in die tijd naast de Molukkers inmiddels ook een groeiende groep ”gastarbeiders” uit Spanje en Italië en later uit Turkije en Marokko. Een deel van hen was al bezig met gezinshereniging. En in de eerste helft van de jaren 70 nam, vooruitlopend op de onafhankelijkheid in 1975, ook het aantal migranten uit Suriname toe. Maar ondanks dit alles beschouwde Nederland zich niet als een immigratieland. Al die groepen met hun heel verschillende geschiedenissen en achtergronden waren hier maar tijdelijk. Daarvoor was geen beleid nodig. Die liet je gewoon aanmodderen.

Tegen het eind van de jaren 70 werd deze ontkenningshouding onhoudbaar en werd de druk op de regering en de politiek om te erkennen dat Nederland een immigratieland was en dat de meeste migranten hier permanent zouden blijven, steeds groter. De treinkapingen zorgde eigenlijk voor een momentum in deze discussie. De aanbevelingen van de commissie die de achtergronden van de kapingen en de positie van de Molukkers in Nederland bestudeerde en het rapport van de WRR Etnische Minderheden uit 1981, resulteerde in 1983 in de Minderhedennota van de regering. De rest is geschiedenis.

Nederland was het eerste land in Europa met een specifiek minderhedenbeleid, tegenwoordig heet dat integratiebeleid. Veel politieke partijen moesten tandenknarsend toegeven dat migranten een permanent deel van de bevolking van Nederland waren geworden. Dat was op zichzelf een goede ontwikkeling. Maar dit had ook een keerzijde. Vanaf die tijd werden alle migranten, hoe totaal verschillend in achtergrond, herkomst en geschiedenis ook, op één hoop geveegd onder de noemer etnische minderheid. De culturele verschillen en de specifieke geschiedenissen van deze migrantengroepen werden beschouwd als hinderlijke achtergrondruis. Integreren betekende dat je die geschiedenis, je band met het land van herkomst, de erkenning van je eigenheid en je idealen gewoon in een grote koffer moest stoppen met een hoop mottenballen en er niet meer aan moest denken. Dan ging het vanzelf wel over. De Molukse treinkapers vochten niet voor een politiek ideaal – met verwerpelijke middelen dat wel – maar hadden een integratieprobleem.

En zo is het ook andere groepen vergaan. Iedereen door de gehaktmolen van de integratie om er gelauwerd en gereinigd, ontdaan van verleden en met de blik op de toekomst weer uit te komen. Turkse en Marokkaanse migranten die hun eigen organisaties en netwerken opbouwden werden vanuit diezelfde logica met zorg bekeken. Zolang zij actief bleven in die organisaties waren zij kennelijk nog niet geïntegreerd. En nu dan de vluchtelingen uit Syrië die ook weer ”zo snel mogelijk moeten integreren”, dat wil zeggen vergeten waar ze vandaan komen.

Tijdens de herdenking op 2 april sprak ook burgemeester Ahmed Aboutaleb. Hij benadrukte het belang van de erkenning van een eigen geschiedenis. Migranten zitten in een auto met een brede voorruit die zicht op de toekomst geeft, maar we hebben ook een achteruitkijkspiegel nodig. In Nederland verplicht. Die laat zien waar we vandaan komen. Het wordt tijd dat die geschiedenis ook erkend wordt.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.