De perceptie van ons verleden

Foto: Kirk Balk Academy

In mijn vorige column, naar aanleiding van Charlottesville, repte ik van de mogelijkheid dat de Amerikaanse meningsverschillen over het verleden ook naar Europa zouden kunnen overslaan, omdat hier immers eveneens nog heel wat verleden als nationaal erfgoed gekoesterd wordt, dat in andermans optiek dubieuze aspecten heeft. Op ons continent was Duitsland lange tijd het enige land dat daartoe door de kritische ogen van de buren stelselmatig gedwongen werd; nu zijn steeds vaker ook andere westerse landen aan de beurt.

Zo ook Nederland, waar CDA-voorman Sybrand Buma nog meent de nationale eenheid te kunnen bezweren door schoolkinderen staande het Wilhelmus te laten zingen. Ook het blazoen van de ik-figuur, Willem van Oranje (1533-1584), is inmiddels niet onbevlekt; recent historisch onderzoek heeft, waar het zijn bevrijdingsmethoden van de Lage Landen betrof, toch erg veel verschroeide-aarde-tactiek aan het licht gebracht.

Overigens was, zoals een ieder die iets verder in het vaderlandse lesmateriaal terugkijkt weet, tot enige decennia geleden de Vader des Vaderlands bij katholieken – toch nog altijd zo’n veertig procent van de vaderlanders uitmakend – niet geheel onomstreden. Mede door de effecten van Oranjes opereren waren zij immers twee eeuwen lang de onderliggende partij. De ‘altijd geëerde’ Koning van Hispanje uit het eerste couplet had Willem van Oranje, als die term al had bestaan, vast als een soort terrorist betiteld. Hij heeft hem dan ook dienovereenkomstig door een scherpschutter uit de weg laten ruimen, zoals Barack Obama met Osama bin Laden (1957-2011) deed.

Als gezegd: ook Nederland heeft een ingesleten visie op het verleden die steeds meer gaat wringen. De afgelopen twee weken werd ik daarmee weer meermalen geconfronteerd. In de Volkskrant poogde Martin Sommer langs getalsmatige weg de betekenis van de slavernij voor de Nederlandse geschiedenis en de betekenis van Nederland voor de slavernijgeschiedenis te relativeren.

Zijn medecolumnist Elma Drayer, die al eerder elke opsomming waarin Holocaust en slavernij samen werden genoemd als een ongepaste poging tot leedvergelijking had betiteld, verviel weer in de oude fout door elk anti-zionisme als verkapt anti-semitisme te betitelen, zonder ook maar één woord te wijden aan de vrij systematische Israëlische landroof van Palestijnse grond op de Westelijke Jordaanoever, die de anti-Israëlische sentimenten in islamitische kring tenminste behoorlijk hebben versterkt. Dat Nederland als vaste steunpilaar van Israël medeplichtig is aan dat onrecht bleef eveneens buiten beschouwing.

Het derde voorbeeld was bij de kranslegging ter herdenking van de moord op Johan de Witt (1625-1672) op zijn sterfdag 20 augustus tijdens het Haags Historisch Festijn. Bij een debat na afloop over de betekenis van De Witt betitelde mijn mede-forumlid Arend Jan Boekestijn deze lynchpartij als ‘de meest schokkende gebeurtenis uit de Nederlandse geschiedenis’. Wel, ik zou zeggen: de meest schokkende gebeurtenis uit de Nederlandse geschiedenis is nog altijd de Holocaust, alsmede de slavernij, hoewel je er in het laatste geval natuurlijk over kunt twisten of je iets dat zich over een paar eeuwen uitstrekt nog als ‘gebeurtenis’ kunt betitelen.

Het bijna op de automatische piloot gegeven commentaar van Boekestijn – de Nederlandse geschiedenis ingeperkt tot een paar vierkante kilometer Binnenhof – zegt veel over de gangbare perceptie van het nationale verleden. Ik denk dat een Duits politicus die de nazimoord op Walther Rathenau (1867-1922) – één van de grootste staatslieden uit de Weimar Republiek – in 1922 als de meest schokkende gebeurtenis uit de Duitse geschiedenis zou betitelen, ter plekke zou worden gelyncht.

Voor de Nederlandse bijdrage aan de wandaden van de Duitse bezetter geldt, wat ook lang voor de – moreel verder uiteraard daaraan niet gelijk te stellen – Nederlandse bijdrage aan de Franse tijd gold: beide perioden werden gezien als iets dat niet echt deel uitmaakt van de eigen geschiedenis. Het was meer een soort natuurramp die ons, zelf onschuldig, van buitenaf was overkomen. Landgenoten die daarin een rol hadden gespeeld heetten geen ‘echte Nederlanders’ te zijn geweest – ook al hielden de aantallen Nederlandse Oostfrontstrijders en verzetsstrijders elkaar in evenwicht. Beide bezettingservaringen zouden de Nederlandse volksaard onveranderd hebben gelaten en dienovereenkomstig wilden velen in 1945 en 1813 het liefst terugkeren naar waar men in 1940 en 1795 gebleven was.

Wat dat in het geval van de Tweede Wereldoorlog versterkt, is dat de Nederlandse verzetsdaden op eigen grondgebied zichtbaar waren en de Nederlandse naziwandaden zich het meest ver weg in Oost-Europa afspeelden. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het kolonialisme in de Oost en de slavenhandel in de West: duizenden kilometers buiten zicht. Er waren, anders dan in Virginia, geen plantages in Friesland en er was maar een kleine minderheid van de Nederlanders direct bij betrokken, ofschoon er meer particulieren aan hebben verdiend, inclusief zeeheld Michiel de Ruyter (1607-1676). Of dat misschien ook voor De Witt gold heeft volgens mij nog niemand zich afgevraagd.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.