De sluipende ‘islamisering’ van de samenleving

alcoholban-ap-jpg.jpg
Foto: © AP

“Indonesië schrikt van bierverbod”, aldus De Volkskrant op 18 april. Onder invloed van de politieke opmars van de islamisten heeft de minister van Handel, Rachmat Gobel, de verkoop van alcoholhoudende dranken aan banden gelegd. Het bierverbod, aldus de krant, heeft een schokgolf door het land gejaagd, en onvermijdelijk valt meteen het woord ‘islamisering’. Volgens een uitgelekt wetsontwerp van twee moslimpartijen moet zelfs álle alcohol wettelijk verboden worden, en zowel het produceren als consumeren ervan zwaar worden bestraft.

In Europa reageren velen inmiddels als door een adder gestoken, wanneer iemand een bepaalde regeling bepleit op basis van de islam. Het toestaan van hoofddoekjes in het klaslokaal, halal voedsel in de supermarkt, aparte gebedsruimtes bij bedrijven: het wordt snel gepercipieerd als een bewijs van de sluipende ‘islamisering’ van de samenleving. Dat kan in oude volkswijken onder niet-moslims voor een gevoel van vervreemding zorgen: is dit nog wel mijn land? En laat ik eerlijk zijn, zelf heb ik er ook weinig mee op, en zeker met het rigide geloof van de aanhangers in de absolute religieuze noodzakelijkheid ervan – wat niet automatisch betekent dat de overheid het dan ook altijd actief moet tegengaan. Zoals voormalig PvdA-leider Wouter Bos het eens zei: niet alles waar ik om emancipatorische redenen tegen ben, ga ik daarom ook verbieden.

Maar soms krijgt zulke afkeer van alles waar het stempel ‘islam’ aan kleeft, wel eens absurd-hysterische trekken. Een paar jaar geleden was er sprake van de mogelijke introductie van islamitisch bankieren in Nederland. Alleen al de aankondiging van die mogelijkheid stond voor opgewonden Kamervragen van Wilders-zijde garant. Maar op grond van de informatie die in de krant verschaft werd over wat dat dan concreet zou inhouden, kon ik onmogelijk van het gevaarlijke en principieel verwerpelijke ervan overtuigd raken.

De kern ervan kwam er, geloof ik, zo’n beetje op neer dat, vanwege een door de islam verordend woekerverbod, officieel geen rente voor leningen gevraagd kon worden, en de winstgevendheid daarvan dus op andere wijze gerealiseerd moest worden. Wel, met de uit buitensporige woeker voortvloeiende en nog steeds voortwoekerende westerse bankencrisis voor ogen leek mij met dat uitgangspunt niets fundamenteels mis, en het mij zelfs tamelijk sympathiek. Of zo’n renteloos systeem in de praktijk ook economisch functioneert is een ander verhaal, maar de verschafte informatie was onvoldoende reden om, mocht islamitisch bankieren ook aan de Zuidas van de grond komen, op basis daarvan nu de onmiddellijke overname van Nederland door IS te moeten vrezen.

Een andere netelige kwestie waarin – ik erken het als heiden – moslims op zich best een punt hebben, is dus die van alcoholmisbruik. De politie heeft hier te lande regelmatig te stellen met een ontspoorde Marokkaans-Nederlandse jeugd, maar openbare dronkenschap behoort niet tot de frequente zonden. Dat is bij autochtone jongeren wel anders, zoals elke voetbalmatch weer leert. In tal van opzichten beschouw ik de Europese samenleving als moreel beter dan pakweg de Arabische, maar als ik ‘s avonds weer eens een zwerm straalbezopen Engelsen lallend door mijn straat zie zwalken, denk ik: nu alleen even niet. Voor alle duidelijkheid, ik ben zelf niet van de blauwe knoop, en zeker aan een regelmatig glas wijn gehecht (al kan ik ook best wel een paar dagen zonder), maar daarom niet blind voor de negatieve maatschappelijke effecten van het massale alcoholgebruik bij anderen.

Tegen de nu in Indonesië door de tegenstanders van alcohol ingebrachte argumenten valt rationeel ook niet zoveel in te brengen. Zo vergelijken zij de gevolgen van drank met die die van drugs – waarom die wel verbieden, en alcohol niet? In dat opzicht is het Westen inderdaad tamelijk hypocriet. Dat in Nederland het drankprobleem kwantitatief veel groter is dan het drugsprobleem, ook en juist onder de jeugd, valt niet te ontkennen – denk aan de agressie in het uitgaansleven, het comazuipen, de voetbalhooligans en de vele slachtoffers in het verkeer.

Wijlen Els Borst wist het als minister voor Volksgezondheid al. Geconfronteerd met de zoveelste zinloze optocht tegen zinloos geweld, zei ze over de hoofdoorzaak: er wordt gewoon teveel gezopen. Maar, zo voegde ze eraantoe, zodra je daaraan iets probeert te doen, “Dan komen de heren van de drankenlobby op bezoek. Bij mij waren dat Wiegel, die ging toen over jenever of zo, en Heineken-topman Vuursteen. Die hameren dan op zelfregulering.” Bij het tegengaan van alcoholgebruik staan, net als bij die van tabaksgebruik, de economische belangen van oppermachtige gelegaliseerde bedrijven op het spel, bij drugs slechts die van illegale. Voor Heineken gaan alle deuren open.

Heeft Rachmat Gobel dus ten principale een punt, de ervaring leert wel dat een ongericht alcoholverbod snel averechts werkt. De grote drooglegging in de jaren 20 in de Verenigde Staten was geen succes. De illegale stokerijen in Rusland zijn berucht. In Scandinavië is alcohol veel duurder dan bij ons, maar het aantal dronkelappen groter dan waar ook. In Zuid-Europa, waar geen maaltijd zonder wijn genuttigd wordt, ziet men ze daarentegen nauwelijks. Dat suggereert dat, aangezien alcohol in de praktijk nu eenmaal niet weg te denken is uit de westerse samenleving, in elk geval in óns geval een vorm van gewenning aan gematigd gebruik in de praktijk verstandiger is dan een absoluut verbod.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.