Deradicaliseringsstress

radicalen-reuters-jpg.jpg
Foto: © Reuters

Onlangs besloot de regering ruim 11 miljoen euro uit te trekken om zogenoemde deradicaliseringsprojecten van jonge moslims te financieren. Dat is veel geld en het is niet de eerste keer dat hiervoor grote bedragen worden vrijgemaakt. De enorme urgentie die er bij de overheid bestaat om radicalisering onder jonge moslims aan te pakken, vooral na de opkomst van IS, heeft ertoe geleid dat deradicalisering in korte tijd is uitgegroeid tot een bloeiende bedrijfstak.

Het woord ‘radicalisering’ is de afgelopen jaren een trending topic geworden dat regelmatig de tafels van de talkshows bereikt. En zoals dat meestal gaat wordt het in korte tijd een containerbegrip dat door iedereen wordt gebruikt en opgetuigd met allerlei aanpalende begrippen, voorstellingen en impliciete aannames over kenmerken, oorzaken, gevolgen en oplossingen. Aan die snelle opmars van een onderwerp met zo’n maatschappelijke urgentie kleven echter grote problemen die een oplossing op de lange duur juist in de weg staan. Ik noem er een aantal.

Om te beginnen de financiële belangen die ermee gemoeid zijn. Het inmiddels opgeheven instituut FORUM kwam niet lang geleden in het nieuws toen sommige medewerkers ervan werden beschuldigd overheidssubsidies voor deradicaliseringsprogramma’s te hebben verduisterd. Naarmate de deradicaliseringsindustrie zich verder consolideert worden de belangen om de geldkraan open te houden almaar groter, zeker als er carrières op het spel staan. Waar veel geld, aanzien en publiciteit te halen is daar komen ook de deskundigen als paddenstoelen uit de grond. Elke zichzelf respecterende onderzoeksinstelling en universiteit heeft tegenwoordig een afdeling radicalisering. Ook particuliere instellingen storten zich op deze lucratieve markt en bieden cursussen aan met veelzeggende namen als “inzicht in dwingende groepsculturen” of “omgaan met radicale jongeren”. Hoewel hun inzichten en adviezen alle kanten op gaan, lijken de meeste deskundigen het over één ding eens: radicalisering is fout en zit tussen je oren. Vroeger stond radicaal voor duidelijkheid, vastbeslotenheid, en uitkomen voor je principes. Nu is het een psychische afwijking die alleen op therapeutische wijze kan worden verholpen. Radicalen zijn de weg kwijt geraakt, gefrustreerd en ontspoord. Daarmee krijgt deradicalisering al gauw het karakter van een soort psychoanalyse. De deradicaliseringsexpert is een therapeut die begeleidt, traint en adviseert.

Maar het belangrijkste probleem van de deradicaliseringstress zit ergens anders, namelijk bij de volledig uit de hand gelopen obsessie in Nederland met veiligheid en preventie. Moslimjongeren met radicale opvattingen worden behandeld als een soort veroordeelden met tbs met een grote kans op recidive. Omschrijvingen voor teruggekeerde Syrië-gangers als “wandelende tijdbommen” spreken wat dat betreft boekdelen. Dan zijn het plotseling geen slachtoffers meer van hun psychische stoornis, maar gewoon gevaarlijke outlaws die zo snel mogelijk moeten worden opgesloten, of zoals premier Rutte het zo puntig formuleerde, “beter daar dood kunnen gaan”. Het onlangs verschenen boek Na de vrijlating van de Utrechtse hoogleraar Internationale Betrekkingen Beatrice de Graaf laat geen spaan heel van deze criminalisering van teruggekeerde jihadisten. In plaats deze jongeren te begeleiden sluit de overheid ze het liefst op. Dat dit alleen maar meer frustratie oplevert lijkt niet op te komen bij beleidsmakers en politici.

Ook als het gaat om allerlei preventieve maatregelen regeert de angst. De overheid verkeert in een dilemma omdat de deradicaliseringsdeskundigen ook al niet altijd uit het juiste hout zijn gesneden. De nieuwbakken hoogleraar Terrorisme van de Universiteit Leiden Edwin Bakker formuleerde dat in de NRC (23 mei) als volgt: “Veel imams houden er ideeën op na die haaks staan op de integratie. Ze denken bijvoorbeeld anders over democratische beginselen. Moet de overheid zo iemand faciliteren? Ik vind van niet.” Afgeserveerd, wegwezen!

En zo zijn we langzamerhand gevaarlijk ver afgedreven van een samenleving die diversiteit van waarden, idealen en opvattingen beschouwt als een kern van een gezonde democratie. Steeds meer mensen worden op voorhand van die samenleving buitengesloten, niet omdat ze strafbare feiten plegen, maar omdat ze bepaalde opvattingen hebben. De beste manier om nog meer zogenoemde ‘radicalen’ te produceren is een nog harder en intoleranter beleid te voeren en zo nog meer jonge mensen van de samenleving te vervreemden.

Natuurlijk is de bezorgdheid over het doen en laten van een kleine groep moslimjongeren die bereid is geweld te gebruiken begrijpelijk, en is het zaak dat te voorkomen, maar juist daarom is het van groot belang niet overhaast te handelen en te laten zien dat ook zij bij deze samenleving horen. Integratie is in de afgelopen jaren steeds meer omgekeerde bewijslast geworden. Zo van: deze samenleving is goed en bewijs jij maar dat je daar in past.

Integratie moet uitgaan van het beginsel dat iedereen gelijkwaardig lid van de samenleving is, ongeacht iemands denkbeelden of opvattingen. Dat is de beste remedie tegen ‘radicalisering’.

Thijl Sunier is hoogleraar Antropologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Muslims in Europe, voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies en voorzitter van de Antropologen Beroepsvereniging.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.