Diversiteit in het hoger onderwijs: uitdaging of ‘fact of life’?

multiculti-onderwijs-reuters.jpg

Diversiteit in het hoger onderwijs: over allochtoon en autochtoon. Zo luidt de titel van een onlangs gepubliceerd onderzoek van Machteld de Jong, sociologe en docent aan de Hogeschool Inholland in Amsterdam. Aanleiding voor haar onderzoek zijn de veranderingen die zij als docent in de afgelopen 15 jaar heeft ervaren. In die periode is het aandeel zogenoemde ‘allochtone’ studenten op hogescholen en universiteiten aanzienlijk toegenomen. Dat gaat niet meer om een paar procent van de totale studentenpopulatie. Vooral in het hbo-onderwijs is die toename duidelijk zichtbaar. Daar vormen volgens de gegevens van het CBS ‘allochtone’ leerlingen ongeveer 40 procent van het totaal. Op de universiteit is hun aandeel meer dan 37 procent.

Vaak wordt deze toename ondanks alles als problematisch gezien. 30 jaar geleden werd de stigmatiserende term ‘zwarte school’ geïntroduceerd om de trend in het lager en middelbaar onderwijs te benoemen. Het ‘overkwam’ de samenleving door een combinatie van leerplicht en vrije schoolkeuze. En natuurlijk ging het eigenlijk altijd vooral om de toename van het aantal leerlingen met een islamitische achtergrond. Zij zijn de altijd aanwezige olifant in de kamer.

De sterke toename in het hoger onderwijs is een ander verhaal, een succesverhaal wel te verstaan. Ik ben slecht in statistiek en we moeten natuurlijk serieuze vraagtekens zetten bij de categorie ‘allochtoon’, maar vastgesteld moet worden dat hier sprake is van een verbazend snelle maatschappelijke stijging. En het interessante is dat nu de reacties uit elkaar gaan lopen. Aan de ene kant blijven er onheilsprofeten waarschuwen voor de negatieve effecten van deze ‘verkleuring’ van het onderwijs en vinden er discussies plaats over segregatie en groepsvorming in de collegebanken. Aan de andere kant is diversiteit hot en zetten instellingen voor hoger onderwijs hun gemêleerde studentenpopulatie graag in de etalage. Zo beklaagde de universiteit van Amsterdam er zich er onlangs nog over dat ze altijd worden afgeschilderd als een ‘witte’ universiteit. Het kan verkeren.

Het boek van De Jong is bedoeld als handreiking naar docenten die moeilijk kunnen omgaan met de toegenomen diversiteit in het hoger onderwijs en niet weten hoe ze leerlingen moeten benaderen. Wie het boekje doorleest komt tot de conclusie dat de auteur dicht bij de dagelijkse praktijk blijft en laat zien dat het in veel gevallen vooral gaat om persoonlijk contact. Ze stelt zich met zoveel woorden tamelijk kritisch op tegenover de grote pretenties die verpakt zitten in allerhande interculturele trainingscursussen. In deze cursussen worden culturele verschillen niet alleen uitvergroot en vaak tot karikatuur gemaakt, er wordt ook vanuit gegaan dat alle communicatieproblemen en wrijvingen in het onderwijs en op de werkvloer terug te brengen zijn tot culturele verschillen. De inmiddels alweer gewezen kandidaat van de partij Voor Nederland en voormalig hoogleraar Interculturele Communicatie David Pinto is rijk geworden met het verkopen van culturele karikaturen.

Met andere woorden de adviezen van De Jong zijn een sympathiek antwoord op pogingen om al het intermenselijk contact bij voorbaat te smoren in ronkend taalgebruik over multiculturele competenties en intercultureel vakmanschap. Maar stigmatisering blijft op de loer liggen. De ondertitel van het boek is over allochtoon en autochtoon. Die termen zijn problematisch omdat ze de nadruk leggen op etnische en culturele achtergrond. En de grote vraag is natuurlijk of ze iets zeggen over de oorzaak van communicatieproblemen in het onderwijs.

Wat wordt eigenlijk met cultuurverschillen bedoeld? Ongemerkt gaat het hierbij meestal om ‘buitenlandse’, ‘vreemde’ cultuur en worden andere (culturele) verschillen genegeerd. De Jong merkt op dat veel zogenoemde allochtone studenten de eersten zijn in de familie die hebben doorgeleerd. Ouders hebben geen idee wat er op de opleiding wordt gedaan en de nieuwbakken studenten bevinden zich daardoor in een moeilijke positie. Maar hoe bijzonder is dat eigenlijk? Het aantal ouders van zogenoemde autochtone leerlingen dat zelf ook hoger onderwijs heeft genoten is ongetwijfeld groter, maar dat moet ook weer niet overdreven worden. Nog steeds gaat een minderheid van de bevolking in Nederland naar het hoger onderwijs. Met andere woorden, in elke volgende generatie stromen er studenten in die de eerste zijn in hun familie. Dat is ook cultuurverschil en dan heb je ook wat uit te leggen. Anderzijds zijn ‘allochtone’ studenten als ze eenmaal op hogeschool of universiteit zijn aangeland natuurlijk al lang vertrouwd met de regels van het spel. Kortom, wat is hier nu eigenlijk het probleem?

Het onderwijs wordt diverser en kleurrijker. Dat is zoals ik zei een succesverhaal. Dat betekent dat die nieuwe studenten zich ook af en toe cultureel manifesteren en wensen uiten die met hun culturele of religieuze achtergrond te maken hebben, maar we moeten oppassen hen weer alleen daarop af te rekenen. Het zijn namelijk ook gewoon studenten.

Thijl Sunier is hoogleraar Antropologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Muslims in Europe, voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies en voorzitter van de Antropologen Beroepsvereniging.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.