Dodenherdenking is geen lakmoesproef voor loyaliteit

Foto: publiek domein

 

De Dodenherdenking op 4 mei moet verbreed worden. Niet pas als de generatie die de oorlog heeft meegemaakt is overleden, maar juist zo snel mogelijk. Nu de herdenking van 2017 weer achter de rug is, wordt het tijd om er op een rustige manier en vooral met argumenten een principieel debat over te beginnen. In de loop der jaren is de Dodenherdenking uitgebreid naar Nederlandse militairen in zogenoemde vredesoperaties. De officiële aankondiging luidt als volgt: “Tijdens de Nationale Herdenking herdenken wij allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.”

Wat staat daar nu eigenlijk? Er staat dat we iedereen (kunnen) herdenken, zowel burgers als militairen, die in Nederland of elders in de wereld zijn omgekomen of vermoord in oorlogssituaties. Je zou dus zeggen dat deze formulering ruimte biedt om niet alleen Nederlandse militairen elders mee te nemen in de herdenking, zoals dat nu het geval is, maar ook mensen die het slachtoffer zijn van hedendaagse oorlogshandelingen, zoals, inderdaad, omgekomen vluchtelingen. Het vereist wellicht enige creativiteit en fantasie hoe je dat tot iets nationaals maakt, maar dat lijkt me een detail. Als de herdenking een nationaal moment is, dan moet het de veranderende samenleving reflecteren wil het mensen verbinden.

Het gaat erom dat het een herdenking is waarmee nieuwe generaties en nieuwe burgers zich ook kunnen identificeren. Dat doe je door niet maar steeds uitsluitend gebeurtenissen blijven herdenken die steeds verder terug in de geschiedenis hebben plaatsgevonden, maar laten zien dat er een gruwelijke continuïteit zit in het denken en handelen dat in de jaren dertig en veertig zoveel slachtoffers heeft gemaakt. De Tweede Wereldoorlog ligt achter ons maar uitsluitingsideologieën op grond van ras, etniciteit en religie zijn helaas nog springlevend. Op die manier breng je mensen bij elkaar en maak je geschiedenis tot iets waartoe je je kunt verhouden. Wat er nu gebeurt, is het tegenovergestelde. De 4-mei-herdenking wordt een soort lakmoesproef voor integratie, inburgering en nationale loyaliteit, het wordt een splijtzwam die mensen uit elkaar drijft.

Dat zagen we dit jaar wederom op pijnlijke wijze gebeuren. Dominee Rikko Voorberg nam het initiatief om op 4 mei ook omgekomen vluchtelingen te herdenken en wel op het Rembrandtplein in Amsterdam met de plaatsing van een paar duizend witte kruizen. Ook zij zijn onschuldige slachtoffers van oorlogsgeweld. Maar nee, Voorberg kreeg niet alleen het nodige verbale nationalistische geweld voor zijn kiezen, hij werd nota bene bedreigd. Volgens het commentaar op straat zijn vluchtelingen gelukszoekers die er zelf voor kiezen (!) hun land te ontvluchten. De Telegraaf had het over de ‘kaping van 4 mei’. Alsof er een in beton gegoten recht bestaat voor wie en voor wat we herdenken. Uiteindelijk werd het hele initiatief van Voorberg afgeblazen.

Bij het praatprogramma Pauw was de dominee uitgenodigd en ook Luden, directeur van het CIDI, het lobbyclubje voor Israël, dat een verklaard tegenstander is van elke poging om de herdenking te verbreden tot iets waarmee toekomstige generaties zich kunnen identificeren. Jeroen Pauw kwam weer met zijn bekende stokpaardje dat het gebrek aan belangstelling voor de 4-mei-herdenking onder jongeren toch vooral een integratiekwestie van moslims is. Nee meneer Pauw! Onder alle jongeren neemt die belangstelling in rap tempo af! Dat heeft vooral te maken met de weigerachtigheid van het CIDI, christelijke partijen, nationalisten en populisten om die realiteit onder ogen te zien en zo groepen mensen uit te sluiten van de herdenking.

Acteur Nasrdin Dchar hield een indrukwekkende 5-mei-lezing waarin hij niet alleen de verdeel-en-heers retoriek van Mark Rutte aan de kaak stelde, maar precies ook die verbinding met het heden legde zonder maar iets af te doen aan het onzegbare, niet te bevatten kwaad van de Holocaust. Hij liet zien welke verbijsterende vergelijkingen te trekken zijn tussen het taalgebruik en het handelen van de nazi’s decennia geleden en de manier waarop tegenwoordig ook in Nederland mensen met een andere religie en achtergrond worden weggezet. Ook toen begon het met verbaal geweld dat uiteindelijk tot genocide leidde. Joden waren ratten volgens de nazi’s en de ’brave burgers’ van die tijd. Tegenwoordig worden vluchtelingen niet alleen beschouwd als gelukszoekers, maar ze zijn een ‘plaag’. Wat is dan nog het verschil tussen ‘ontjoden’ en ‘deislamiseren’, zo vroeg Dchar zich af.

Je mag geen ranglijst van lijden maken. Lijden is lijden en is voor ieder mens ondraaglijk. Dat heeft niets met afkomst te maken. ‘We mogen geen leed met leed vergelijken’, zei Dchar. Dat werkt verlammend en drijft mensen uit elkaar in plaats van hen te verbinden.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.