Een agent op straat moet neutraal zijn

Foto: publiek domein

De Amsterdamse hoofdcommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg heeft met zijn oproep om in de toekomst te overwegen – hij formuleerde het zéér voorzichtig – het dragen van een hoofddoek aan vrouwelijke moslimagenten toe te staan, meteen – zoals te voorspellen viel – de nodige discussie losgemaakt. Of beter: eigenlijk juist amper discussie losgemaakt. Want de suggestie werd door vrijwel alle om commentaar gevraagde politici meteen neergesabeld. De achterliggende gedachte dat de politie naar meer diversiteit moet streven om in de cultureel steeds diversere samenleving goed vertegenwoordigd te zijn, werd door de meeste partijen wel onderschreven, met de PVV uiteraard als luidruchtige uitzondering. Maar het voorgestelde middel werd een stap te ver geacht. En laat ik meteen zeggen dat ik het in dit geval met die meerderheid eens ben.

Het voornaamste dubbelargument van Aalbersberg en de medestanders die zich sindsdien in de media hebben gemeld: in een aantal andere westerse landen bestaat de mogelijkheid ook en zonder die mogelijkheid worden moslima’s gediscrimineerd. Dat zouden we even onwenselijk moeten vinden als discriminatie op grond van huidskleur, geslacht, leeftijd, lichaamsbouw of seksuele oriëntatie. Er is echter een belangrijk verschil: bij al die andere zaken betreft het aangeboren eigenschappen, waaraan je niets kunt doen. Ook al bestaat inmiddels de mogelijkheid tot geslachtsverandering, dat voor een baan verlangen, vinden we te ver gaan. Dat geldt voor godsdienst nadrukkelijk niet: dat is ten principale een persoonlijke keuze, ook al wordt die in de praktijk meestal niet nadrukkelijk gemaakt. De meeste moslims zijn islamitisch en de meeste christenen zijn christelijk, omdat hun ouders dat al waren; bekeerlingen vormen een kleine minderheid. En dat van die persoonlijke geloofskeuze geldt nog meer voor de uiterlijke kentekenen ervan, wat alleen al blijkt uit het feit dat er ook moslima’s zijn die de onder orthodoxe gelovigen bestaande hoofddoekjesvanzelfsprekendheid onzin vinden.

De cruciale vraag is dan: hoe ver gaat de vrijheid van godsdienst? Europa kent het fundamentele recht van alle burgers om hun godsdienst uit te oefenen. Maar dat betekent niet automatisch altijd en overal. Geen enkel recht is namelijk onbeperkt. Zoals ook de vrijheid van meningsuiting niet betekent dat je iemand valselijk van iets mag beschuldigen of bedreigen. Ook impliceert het niet het recht op belediging. Waar precies de grenzen liggen, is dan vervolgens een punt van discussie, zoals de processen tegen Wilders illustreren.

Ook de vrijheid van godsdienst kan op andere grondrechten botsen of op het even fundamentele uitgangspunt van de politieke en religieuze neutraliteit van de staat. Dat is overigens binnen Europa van land tot land verschillend, met Engeland aan het ene uiteinde en Frankrijk aan het andere. Frankrijk kent als uitvloeisel van de Franse Revolutie een heel strikte interpretatie van de scheiding van kerk en staat: de befaamde laïcité. Manifestaties van godsdienst in de openbare ruimte zijn bijna verboden. In Engeland daarentegen mogen inderdaad zelfs politieagenten een tulband (sikhs) of hoofddoek (moslima’s) dragen, als zij dat als een essentieel onderdeel van hun geloofsbeleving ervaren.

Nederland neemt met zijn verzuiling en daarmee samenhangende religieuze versplintering een middenpositie in. We polderen en spelen dat soort zaken meestal niet te hoog op. Wat de befaamde handen-schudden-kwestie betreft, wordt de weigering van orthodoxe joden vanouds bijvoorbeeld getolereerd. Ook met religieuze kentekenen wordt in de regel betrekkelijk soepel omgesprongen, en dat lijkt mij verstandig. Wat de overheid betreft zou ik een strikt verbod dan ook willen beperken tot die overheidsdienaren, die uit hoofde van hun functie over speciale bevoegdheden beschikken, wat niet toevallig in een uniform tot uitdrukking komt: militairen, politie en de rechterlijke macht. Zij moeten neutraliteit uitstralen. Dat is ook de functie van hun uniform. Niet toevallig treffen we in hun gelederen ook geen priesters, rabbijnen of nonnen aan, de legeraalmoezenier uitgezonderd, maar in dat geval geniet de legerimam dezelfde vrijheden.

Dus inderdaad: geen geüniformeerde agenten op straat met hoofddoekjes óf keppeltjes. Voor bureaumedewerkers die niet geüniformeerd zijn, ligt dat bij die overheidsdiensten voor mij anders, zoals men ook achter de balie van het stadhuis kan dragen wat men wil. Een portier idem dito. Die heeft soms wel een soort van uniform, maar ontleent daar geen bijzondere bevoegdheden aan.

En wat agenten en rechters buiten diensttijd aantrekken, is geheel hun eigen zaak. Als het uniform in de kast hangt, zijn zij immers niet meer herkenbaar als vertegenwoordigers van de neutrale staat. Zij mogen dan ook best als mensen met eigen religieuze of politieke opvattingen bekend staan. In functie zijn ze echter niet ‘zichzelf’, maar het onpartijdige verlengstuk van de staat.

De nadruk op het belang van de hoofddoek door de draagsters zelf maakt overigens een cruciaal verschil duidelijk tussen de islam en het christendom, zeker in zijn – in Nederland dominante – protestantse variant. De eerste draagt een in hoge mate wettisch karakter. Wat de islam met het jodendom gemeen heeft: het navolgen van religieuze gedragsregels is essentieel, of het nu om kledij of voedsel gaat. Het christendom heeft dat duidelijk veel minder. Ook de meest orthodoxe protestanten mogen in beginsel alles eten. Zij kennen geen heilige koeien of onreine varkens en kosher of halal eten. Dat men in Europa niet zo ver gaat als pakweg in China – bij ons geen hond in de pot of insecten als lekkernij op tafel – heeft meer met sentimentele en esthetische bezwaren te maken dan met religieuze principes.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.