Een ‘nette’ oorlog bestaat niet

Idi-i-Smotri.jpg
Foto: © Mosfilm. Scène uit de Russische oorlogsfilm ‘Idi i Smotri’ (1985).

Vrijwel automatisch laat men tegenwoordig in de media het woord ”moord” gepaard gaan met het adjectief ”afschuwelijk” of ”gruwelijk”, zoals in het geval van Pim Fortuyn of Theo van Gogh, waarmee zo’n toevoeging natuurlijk zijn onderscheidende betekenis verliest. De specifieke manier waarop beiden aan hun gewelddadige einde kwamen, valt immers bínnen de categorie moord niet als bijzonder gruwelijk of gewelddadig te betitelen. Maar als het woord “afgrijselijke moord” in dit verband de laatste jaren één keer inderdaad op zijn plaats was, dan bij de manier waarop IS recent een Jordaanse luchtvaartpiloot heeft geëxecuteerd.

Wat bezielt mensen om tot het levend verbranden van een gevangene over te gaan – en de beelden daarvan dan ook nog als propagandamiddel op internet te verspreiden? Het ‘verhaal’ waarin zij door de makers van de bewuste film zijn ondergebracht, maakt dienaangaande iets duidelijk. Het is hun versie van het aloude oog om oog, tand om tand: brand om brand. Zij zien het vermoedelijk als een legitiem antwoord op het feit dat de piloot zelf brandbommen had afgeworpen, waardoor ook gewone burgers op een afschuwelijke wijze omkomen – de gebruikelijke collateral damage in een oorlog, want een ‘nette’ oorlog bestaat niet. Alleen willen we dat niet zien.

In de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) bezondigden niet alleen de Duitsers, maar vervolgens ook, al dan niet bij wijze van wraak, de Engelsen zich aan terreurbombardementen. In het geval van Hamburg werd zelfs – zo is vele decennia later bekend geworden – van tevoren met proefopstellingen in laboratoria uitgeprobeerd hoe men met de door de bommen te veroorzaken gigantische stadsbrand de meeste doden kon bereiken. Wel kregen de Engelsen het resultaat daarvan vervolgens niet tot in het laatste menselijke detail in een bioscoopjournaal voorgeschoteld.

De nazi’s deden dat ook niet met Auschwitz in hun bioscopen, zoals Assad dat evenmin in het geval van zíjn slachtoffers doet. In zijn geval betreft het nog altijd een veelvoud van de door IS omgebrachte burgerdoden, die voor tal van geradicaliseerde westerse moslimjongeren dan ook een belangrijk motief vormen om als IS-jihadist tegen Syrië ten strijde te trekken. Omdat we er nauwelijks iets van zien, dringt het niet tot ons bewustzijn door – en dat kleurt zo onbewust ons beeld.

Arjen van Veelen wees daar afgelopen maandag in de NRC al terecht op. Een Amerikaanse fotograaf had indertijd een foto van een verkoolde Irakese soldaat tijdens de Eerste Golfoorlog (1990-1991) nauwelijks in kranten gepubliceerd weten te krijgen. Daarmee had hij gehoopt de kijk op de oorlog te doen kantelen – en juist daarom lukte dat niet: het paste niet in het positieve Amerikaanse zelfbeeld, dat de meeste media op zo’n moment dat vaderlandslievendheid wordt vereist, niet met ‘ongepaste’ correcties durven te verstoren.

Met het trauma van Viëtnam in het achterhoofd had de Amerikaanse legerleiding van eerdere publicitaire fouten geleerd. Viëtnam was immers aan het thuisfront verloren door de gruwelijke beelden die ervan aan het Amerikaanse ontbijt doordrongen en zo het idee van een zwart-wit-strijd tussen Goed en Kwaad ondermijnden. De Eerste Golfoorlog moest daarom, door alles zelf strak in de hand te houden, als een brandschone ‘video game war’ de beeldvorming ingaan – en dat is aardig gelukt.

Kortom: ook het Westen doodt in voorkomende oorlogsgevallen massaal en zonder verdoving – alleen generen wij er ons voor, en willen we het resultaat niet (laten) zien. IS is er daarentegen openlijk trots op, en dat is anno 2015 wel uitzonderlijk. In een veel verder verleden was dat overigens minder het geval, en werden in oorlogstijd afgehakte hoofden overal openlijk aan den volke getoond. Een van de Byzantijnse keizers van een jaar of duizend terug had als bijnaam ”de Bulgarendoder”, en dat was niet omdat hij zijn veldtocht tegen de Bulgaren met het gezamenlijk drinken van een kopje thee heeft afgesloten.

De vraag blijft wat IS – in een wereld die intussen gelukkig toch iets gevoeliger is geworden voor bruut geweld dan die van vele eeuwen geleden – met die video’s wilde bereiken, en of men dat ook heeft bereikt. Het antwoord op de eerste vraag luidt vermoedelijk: door intimidatie – ”dit is het einde dat jullie militairen wacht” – de druk vanuit de eigen bevolking op de regering van Jordanië vergroten om zich uit de coalitie tegen IS terug te trekken, wat een zware slag voor de Amerikanen zou betekenen.

Vooreerst lijkt IS echter het tegendeel te hebben bereikt: de woede is dermate groot dat nu ongeveer elke Jordaniër IS persoonlijk te lijf lijkt te willen gaan. Hoe lang dat zo blijft is een tweede, want Jordanië was en is als soennitisch land een wankele bondgenoot: strijden tegen het soennitische ‘kalifaat’ komt de facto namelijk neer op steun voor de sjiieten van Iran en het Syrische bewind. De grote winnaar bij een ondergang van de kalief heet Assad – en gezien het feit dat hij nu de grootste massamoordenaar in de regio is, zal de oorlog tegen IS het gevoel bij veel Jordaniërs en andere Arabieren dat er moreel met twee maten gemeten wordt, versterken. En van dat gevoel profiteert dan weer IS, dat altijd goed nieuwe rekruten voor een opleiding tot jihadist of zelfmoordenaar zal kunnen gebruiken.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.