Een schone oorlog bestaat niet

Foto: Reuters

Een dictatuur bestrijden en schone handen houden, gaat dat samen? Nederland is de afgelopen weken tweemaal met de schizofrenie van dat streven geconfronteerd. Eerst bleek dat Buitenlandse Zaken jarenlang in de Syrische burgeroorlog allerlei oppositionele groepen gesteund had die er ofwel tenminste óók bloedige praktijken op nahouden, ofwel zelfs tevens een bloedig wereldbeeld, en zich geenszins als voorbeeldige democraten gedragen. Er zitten zelfs regelrechte jihadisten onder, voor wie niet Zwitserland, maar een fundamentalistische theocratie het staatkundig ideaal vormt. Het leidde al tot veel rumoer in de Tweede Kamer. En nu is er die aanslag op militairen in Iran, die door Teheran in de schoenen geschoven wordt van separatisten, die onder meer in Nederland als ‘vrijheidsstrijders’ onderdak (zouden) vinden. Dat leidde al tot het nodige rumoer in het diplomatieke verkeer.

Als het om de strijd voor democratie, vrijheid en mensenrechten gaat, komt Den Haag internationaal voortdurend voor het probleem te staan dat tirannen daarmee weinig ophebben en een vermanend woord vervolgens niet echt helpt. De Assads gebruiken desnoods gifgas om een weerspannige bevolking eronder te houden, de Kims hebben daarvoor massaal werkkampen ter beschikking. In Noord-Korea is het daardoor rustig, in Syrië hielp een en ander de machthebbers uiteindelijk niet.

Wat doe je dan als Westen, als een opstand uitbreekt die zich keert tegen een totalitaire dictator wiens mensenverachtende praktijken je verafschuwt? Zeker als een deel van de opstandelingen belooft dat, als zij eenmaal de tiran ten val hebben gebracht, het land op aanmerkelijk beschaafder en democratischer wijze zullen reageren? En wat doe je, als vervolgens die opstandelingen niet zonder geweld hun doel blijken te kunnen bereiken, omdat de tiran in kwestie niet na het eerste protestbord zijn nederige excuses voor alle onderdrukking aanbiedt en meteen opstapt, maar er integendeel nog harder op los slaat? Economische sancties helpen weinig als machthebbers – indachtig Moammar al-Khadaffi’s einde – menen dat het voor henzelf letterlijk gaat om een strijd om leven of dood.

Zeg je dan ‘sorry jongens, maar geweld is zóóóóó 2017, als beschaafd land doen we hier alles in goed polderoverleg, dat moeten jullie ook doen, een conferentie organiseren, dat willen we best, maar de wapens opnemen is niet netjes en uit de tijd’? Of ‘waar twee kijven, hebben beiden schuld, dus zoek je heil in mediation?’ Of ‘sorry, non-interventiebeginsel, alleen als de VN-Veiligheidsraad akkoord gaat en uitdrukkelijk de opdracht daartoe geeft’, wat in het Syrische geval onwaarschijnlijk is, omdat Moskou in de geopolitieke machtsstrijd in het Midden-Oosten in Damascus een onmisbare steunpilaar ziet?

Zie hier het dilemma waar ook Nederland steeds weer voor staat, zeker als aan westerse zijde evident economische en politieke belangen een rol spelen. Wat doe je dan? Is helemaal niets doen een optie? De roep van ‘we moeten toch iets doen, we kunnen dat als internationale gemeenschap niet laten passeren’, is daarvoor te sterk. Zie Barack Obama’s ferme rode lijn in geval van gifgasgebruik die vervolgens toch niet zo ferm getrokken bleek. Vanwege de weinig florissante gevolgen van de eerdere interventies in Irak en Libië zag hij van een invasie af. Vast ook tot geruststelling van velen. Maar zeur dan niet over de uitkomst. Dat betekent dan dat de meestal veel sterkere dictator vrij spel heeft, gesteund door minder scrupuleuze soortgenoten elders – zie Vladimir Poetins redding van Bashar al-Assad. Want in een oorlog wordt de strijd nu eenmaal op het slagveld beslist.

De kansen op dat slagveld ten gunste van de door jezelf gewenste partij veranderen, gaat in dit soort situaties niet zonder hevig geweld. Dat kan door directe interventie of door indirecte steun. Maar beide levert geen vredig plaatje op. Het betekent onvermijdelijk dat er ook door toedoen van de ‘goede zijde’ burgerslachtoffers vallen, wat tot handenwringen en boze Kamervragen leidt. En vaak tot verontwaardigde reacties van dezelfde burgers die, als men de dictator ongestraft zijn gang zou hebben laten gaan, ook heel verontwaardigd zouden zijn geweest. Maar een schone oorlog bestaat niet.

Precies die fictie is wijdverspreid. Dat leidt tot allerlei eufemismen zoals ‘humanitaire missie’, want ‘oorlog’ klinkt zo hard. Alleen onder die titel zijn ze aan het electoraat te verkopen. Zie de holle beloftes over monitoring toen Mark Rutte indertijd Jolanda Sap nodig had voor Afghanistan. Zulke monitoring lukt al niet als het om Poolse bijstandsfraudeurs gaat. Maar desalniettemin denkt het Binnenhof dat het zinvol is om voor een land duizenden kilometers verderop nauwkeurige regels te formuleren voor het gebruik van kanonnen binnen en buiten de bebouwde kom. Het herinnert mij aan een radio-uitzending uit die tijd. Deelnemers waren Frans Weisglas van de VVD en Wijnand Duyvendak van GroenLinks. Beiden toonden zich, elk op een ander punt, tamelijk wereldvreemd. Duyvendak stelde dat we ginds oorlog voeren en Weisglas schoot meteen in een kramp: ‘Nee, nee, oorlog voeren doen wij beschaafde Nederlanders niet.’ Omgekeerd stipte Weisglas aan dat we zonder deelname het G20-lidmaatschap konden vergeten. Duyvendak daarop: ‘Dat riekt naar chantage, schandalig als dat aan elkaar gekoppeld wordt.’

Hoe onfris ook, zolang Den Haag die beide evidente waarheden niet onder ogen wil zien, schiet het met ons buitenlandbeleid in de minder vreedzame zones op deze aardkloot weinig op.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.