Europa mag niet toegeven aan Erdogan

Foto: Reuters
Politieagenten hebben in geval van chantages standaard altijd hetzelfde advies: niet toegeven, want dat is alleen maar een uitnodiging voor de ander om ermee door te gaan. Wie zich, uit angst voor de gevolgen van een weigering, eenmaal laat chanteren, geeft de boodschap af dat hij ook in de toekomst chantabel is. Wie een keer losgeld heeft betaald, zal er ook een volgende keer toe bereid zijn. Maar hoe zit het met chantage in de politiek? Misschien inderdaad niet wezenlijk anders. Wie zich in de politiek chanteren laat, geeft evenzeer te kennen dat hij zwak staat, omdat hij de gevolgen van een weigering meer vreest dan wat hij in geval van instemming moet slikken. En ook dat zal de tegenpartij stimuleren om voort te gaan: wie eenmaal heeft toegegeven, zal dat vast ook nog wel een tweede keer doen. Tenzij er gegronde reden is om aan te nemen dat in een tweede geval de omstandigheden – de machtsverhoudingen –dusdanig anders zijn, dat de chanteur een tweede keer bot vangt. De kans daarop is overigens in de politiek, waar die machtsverhoudingen soms plotseling door externe factoren veranderen kunnen, groter dan in veel particuliere gevallen, waar iemand bijvoorbeeld vanwege overspel wordt afgeperst. Hoe dan ook: ook in de politiek is toegeven aan chantage meestal riskant.

In deze situatie dreigt de Europese Unie zichzelf te brengen als het nu voor het jongste dreigement van Erdogan bezwijkt. De Turkse president heeft recent aangekondigd de dit voorjaar conform een afspraak met Brussel gesloten vluchtelingensluizen weer wagenwijd open te zetten, als niet voor de herfst de visumplicht voor burgers van Turkije om de EU in te reizen, is afgeschaft. Het één heeft weliswaar formeel niets met het ander te maken, maar Brussel is zo onverstandig geweest om die suggestie te wekken, door deze twee in een totaalpakket te regelen. Zo hoog was enkele maanden terug de nood in Europa gestegen, waar het de toestroom van (vooral Syrische) asielzoekers betrof. Niet alleen kreeg Turkije in ruil voor degelijke grensbewaking drie miljard euro toegezegd, ook deed Brussel nog een aantal andere beloftes. Ankara kon vragen wat het wilde en kreeg het, hoezeer ook tegelijk met voorwaarden omkleed.

Dat Europa meebetaalt aan de opvang van vluchtelingen in Turkije is, ongeacht de versnelde afbraak van de Turkse rechtsstaat onder Erdogan , gezien de onevenredig zware last die op Turkije rust, niet meer dan terecht. Maar juist gezien die afbraak van de rechtsstaat, die niet pas na de mislukte putsch begonnen is maar al veel eerder was ingezet, waren al de andere gemaakte afspraken en toezeggingen uitermate onverstandig. Dit, omdat de interne ontwikkelingen in Turkije – en dat was voorspelbaar – door Ankara en Brussel anders worden gewaardeerd. Brussel ziet ze, in lijn met de eigen normen, als een bedreiging voor de rechtsstaat, en dus voor de democratie; Ankara presenteert ze, met het terrorismegevaar en de putschpoging als argument, als noodzakelijke tijdelijke beperking van de rechtsstaat om de democratie te redden: in die bijzondere omstandigheden, aldus Erdogan en de zijnen, is er geen ruimte voor halfzacht geneuzel.

De meeste Turken in Turkije, maar ook de meeste leden van de Turkse gemeenschap in Europa, delen helaas die visie. Voor hen is de formele benadering van Brussel onbegrijpelijk en de weigering om de visumplicht af te schaffen wordt gezien als een zoveelste bewijs dat Europa hoe dan ook tegen Turkije gekant is. En doordat beide afspraken – over de voorwaarden inzake de vluchtelingen en de voorwaarden inzake de visumvrijstelling – tegelijk zijn uit onderhandeld, worden ze gezien als één en dezelfde grote deal, waarbij Europa haar afspraken nu dus niet nakomt, omdat Turkije immers de Syriërs tegenhoudt. Aangezien dat inderdaad voor Europa het hoofddoel was en Europa zo de hoofdzaak binnen heeft, kunnen de Europese argumenten om de visumplicht op te heffen – wat voor Turkije het hoofddoel was – aan Turkse zijde als smoesjes worden gezien om onder de wederkerige Europese verplichtingen uit te komen.

Hoe begrijpelijk een dergelijke zienswijze door de ongelukkige dubbele deal ook is, Brussel mag hier niet aan toegeven. Enerzijds omwille van de geloofwaardigheid in de ogen van de eigen Europese burgers, die – als het om afspraken met kandidaat-leden gaat – toch al niet overhoudt. En anderzijds omdat toegeven op zo’n principieel rechtsstatelijk punt een aanmoediging voor Ankara vormt om in de toekomst opnieuw met een dergelijk dreigement Europa voor het blok te zetten, als het nog verdergaande wensen uit. Hoe belangrijk de vluchtelingendeal voor Europa met het oog op de electorale (gemoeds)rust ook is: dan schuift men het probleem slechts voor zich uit.

Politiek succesvol is in zulke situaties degene die de meest stalen zenuwen heeft. Als Europa zelfverzekerder optreedt en niet voortdurend uitstraalt doodsbang te zijn dat Erdogan de deal opzegt, is al de helft gewonnen. Want zo sterk staat Turkije internationaal helemaal niet, gezien de recente knieval voor Poetin en haar isolement in het Midden-Oosten. Op de langere termijn heeft het kleinere Turkije het grotere Europa harder nodig dan omgekeerd. En dat betekent dat Brussel de Turkse bluf best met wat eigen bluf betaald zetten mag.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.