Europa moet Turkije zijn tanden laten zien

Foto: Reuters
Hoe veilig zijn politieke vluchtelingen uit Turkije in Europa en de Verenigde Staten? Die vraag wordt steeds relevanter, naarmate de Turkse president Recep Tayyip Erdogan zijn vervolging van andersdenkenden – lees: zijn politieke tegenstanders – voortzet. Naast talloze journalisten zijn ook vele oppositionele politici al achter de tralies verdwenen. En bovenstaande vraag zal nog relevanter worden, indien Erdogan bij het komende referendum zijn doel bereikt en daarmee, dankzij een ja-stem, almachtig wordt. Dan heeft hij de rechtspraak volledig in eigen hand.

Telefoon-rechtspraak: dat was de term die daarvoor indertijd in de Sovjet-Unie werd gebezigd. Indien er processen met een politieke lading plaats vonden, liet het Kremlin per telefoon aan de rechter weten welk vonnis werd verlangd. Onder president Vladimir Poetin lijkt die praktijk weer helemaal terug. Processen zijn een complete farce en oppositieleider Aleksej Navalny, die onlangs bij een demonstratie tegen corruptie is opgepakt, wist daarom al van tevoren dat hem een gevangenisstraf te wachten stond.

In Turkije is intussen de scheiding der machten ook nagenoeg verdwenen en aan onafhankelijke media vrijwel niets meer over. Hoe direct Erdogan zich met de rechtspraak bemoeit dan wel straks gaat bemoeien, is onduidelijk, maar ook Turkse rechters weten intussen wel wat er door de regering van hen wordt verwacht. De mislukte coup van juli vorig jaar, waarvan de achtergrond nog altijd onbekend is, vormt daarbij het excuus om iedereen die Erdogan niet aanstaat, te laten arresteren.

Als gevolg daarvan zijn intussen veel Turken naar het buitenland uitgeweken. Diverse Turkse NAVO-militairen, die bij thuiskomst vanwege een – onbewezen – beschuldiging van betrokkenheid vermoedelijk arrestatie te wachten staat, hebben in Brussel asiel aangevraagd; anderen zijn met dat doel naar Griekenland gevlucht. Ankara heeft op hoge toon uitlevering geëist, Athene heeft dat tot dusverre terecht geweigerd.

En dan is er nog de in Amerika levende islamitische prediker Fethullah Gülen, die er – tot dusver zonder enig spoor van bewijs – met grote hardnekkigheid door Erdogan van wordt beticht het meesterbrein te zijn achter de couppoging. Met grote regelmaat eist van Erdogan Washington dat Gülen aan hem uitgeleverd wordt. De vorige Amerikaanse president Barack Obama heeft altijd geweigerd aan die druk toe te geven.

Onlangs werd bekend dat Michael Flynn, de inmiddels al weer ontslagen nieuwe nationale veiligheidsadviseur van Obama’s opvolger Donald Trump, al tijdens de verkiezingscampagne contact met Turkse topofficials heeft gehad om Gülen buiten de normale uitleveringsprocedure van de VS naar Turkije te krijgen. Behalve met Moskou, zoals vorige maand aan het licht kwam, heeft het team-Trump dus ook illegaal contact gehad met Ankara. Verbazen kan dat, na alle schandalen waardoor de regering-Trump al in twee maanden is geplaagd, niet echt; het kan er ook nog wel bij.

Er bestaan tot dusverre geen aanwijzingen dat Erdogan in ruil – net als Poetin – getracht heeft om de Amerikaanse presidentsverkiezingen te beïnvloeden, maar dat hij liever Trump dan Hillary Clinton in het Witte Huis ziet, is aannemelijk. Ondanks de anti-moslim-retoriek van Trump, zijn Erdogan en Trump verwante geesten: autoritaire leiders die geen tegenspraak dulden. Dat Trump, gezien zijn pleidooi om het waterboarden voor terroristen weer in te voeren, weinig op heeft met de mensenrechten, komt goed uit: ook in dat opzicht delen zij dezelfde kijk.

Voor Trump is alles een kwestie van dealen – ook mensen zijn aan een goede deal ondergeschikt. Waar Turkije als poort tot het Midden-Oosten en buurland van Syrië en Irak onmisbaar geacht wordt voor Trumps prioriteit nummer één, de strijd tegen IS, betekent dat dat Gülen voor hem slechts een pion is in een schaakspel om Turkije gunstig te stemmen.

Voor alle duidelijkheid: het zou een duidelijke schending van de Amerikaanse wet vormen. Nu is dat voor Trump moreel geen punt, maar dat wil niet zeggen dat zo’n poging een kans van slagen heeft. Nog recent is hij immers door het Federaal Hooggerechtshof teruggefloten, waar het zijn immigratiebeleid – het verbod voor burgers uit een aantal moslimlanden – betrof, dat hij tot electoraal speerpunt had verheven. Tot nu toe zijn de Amerikaanse instituties nog sterker gebleken dan Trump, wiens beleid door zijn hardnekkige pogingen het onmogelijke te willen, steeds meer in chaos ontaardt.

Ook op Brussel is de Turkse druk om tot uitlevering van politieke vluchtelingen – in dit geval de bewuste NAVO-militairen – over te gaan, groot. Tot nu toe heeft Europa die druk weerstaan, en het valt te hopen dat zij dat blijft doen, zolang er geen kans bestaat op een eerlijk proces, een kans die steeds geringer wordt.

Daar kan het echter niet bij blijven. Tot nu toe heeft Brussel vrij onderkoeld gereageerd – meer met de vermanende teksten van een schoolmeester, ‘gedraag je een beetje’ – op het buitenproportionele en met bedreigingen gepaard gaande getier van Erdogan naar aanleiding van de weigering zijn ministers voor propagandapraatjes in Nederland en andere Europese landen toe te laten. Als straks het ja wint bij het referendum, en daarmee Turkije de facto in een presidentiële dictatuur verandert, ontkomt Brussel niet aan de vraag: wat doet Turkije nog op de kandidatenlijst voor de Europese Unie?

Zeker, de toetredingsonderhandelingen zijn de facto allang in de ijskast beland en de kans dat Turkije onder Erdogan lid wordt van de EU, is nul. Maar er komt een moment dat de EU er uit zelfrespect ook formeel een streep onder moet zetten. Dat hoeft niet voor alle eeuwigheid te zijn, niemand weet hoe de wereld er over vijftig jaar bijligt, maar wel voor dit moment. Het gaat om meer dan verspilde moeite: het gaat om de eigen geloofwaardigheid, ook in de richting van de Europese kiezers.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.