Frame mij niet als islamcriticus uit Leidse stal

Foto: Reuters
In zijn vorige week gepubliceerde column (Beoordeel onderzoek op wetenschappelijke kwaliteiten) plaatst Zaman Vandaag-columnist Thijl Sunier mij in het kamp van de zogeheten ”uitgesproken critici van de islam”, uit de ”Leidse stal”. Een frame waar ik mijzelf niet in herken. Sunier schreef dat naar aanleiding van een debat met mij in het radioprogramma Nieuws en Co., over de kwestie rondom een onderzoek van academici van de Universiteit van Amsterdam (UvA), Annelies Moors, Martijn de Koning en Aysha Navest, waarbij Navest in een recent artikel in de NRC wordt omschreven als een online-jihadiste.

Graag kom ik terug op het debat dat plaatsvond tijdens de radio-uitzending. Sunier en ik verschilden van mening over het onderzoek van deze UvA-wetenschappers. Sunier stelde dat het, indien het op de juiste wetenschappelijke wijze verricht was, gewoon voor een goed wetenschappelijk onderzoek door kon gaan, ongeacht hoe de onderzoekers in kwestie er zelf instonden. Dat betoogt hij eveneens in zijn column. Hij stelt dat wanneer we mijn redenering in deze door zouden trekken, onderzoekers als ik dan ook geen onderzoek meer zouden kunnen doen. Maar mijn mening over het UvA-onderzoek is echter niet dat het niet geldig is, omdat de onderzoekers in kwestie niet geheel neutraal waren. Dat is naar mijn mening geen enkele islamwetenschapper, ook Sunier niet. Waar het mij bij om gaat is het feit dat het een onderzoek betrof dat directe implicaties had kunnen hebben voor onze nationale veiligheid, namelijk de manier waarop we straks omgaan met teruggekeerde Syrië-gangers. Dat vind ik een uiterst gevoelige materie en daarom vind ik dat terughoudendheid van wetenschappers en een zo groot mogelijke objectiviteit en neutraliteit (inclusief uitstraling hiervan), hierbij ook absoluut noodzakelijk is. Daar was bij dit UvA-onderzoek geen sprake van. Niet alleen vanwege de aantijgingen van de NRC aan het adres van Navest, maar ook omdat de onderzoekers zich in hun onderzoek bijzonder relativistisch opstellen. Neem alleen al de titel Female migrants to Syria, alsof het om expats ging die voor een paar jaar bij een multinational in Tartus gingen werken, terwijl het gaat om vrouwen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie, die in het Midden-Oosten genocidale praktijken pleegt, en hier in Europa aanslagen pleegt. Een dergelijke relativistische houding in wetenschappelijk onderzoek kan de manier waarop in de toekomst Justitie en de rechterlijke macht zullen oordelen over eventueel teruggekeerde (vrouwelijke) Syrië-gangers beïnvloeden, wat mogelijke implicaties kan hebben voor onze nationale veiligheid. In dat opzicht vind ik het ook een goede zaak dat het Openbaar Ministerie besloten heeft de uitkomsten van het onderzoek niet mee te nemen in hun eigen onderzoek naar de eventuele misdaden die begaan zijn door Syrië-gangers.

Terug naar de aantijgingen van Sunier aan mijn adres. Ik vind het erg jammer dat hij mij in zijn column probeert te framen als iemand die onderdeel is van de ”Leidse stal”, een school die de reputatie geniet overwegend kritisch te zijn ten opzichte van de islam, terwijl het feit dat ik daar promoveer niet automatisch impliceert dat ik me met betrekking tot de islam op een en dezelfde wijze opstel als de andere wetenschappers die Sunier noemt in zijn column. Ik heb mijn eigen onderzoek, wat gericht is op ex-moslims, het verlaten van de islam en horizontale godsdienstvrijheid in Nederland, en mijn eigen visie op de islam. En ik wens daar ook op beoordeeld te worden. En niet op guilt by association. Desondanks word ik toch door Sunier op basis daarvan geframed. Nu is framen iets wat naar mijn mening sowieso al te veel gebeurt in het islamdebat in Nederland. Dat is uiteindelijk ook wat er is gebeurd met Navest, vandaar dat ik in mijn debat met Sunier ook uitdrukkelijk heb gesteld dat ik Navest, een oud-studiegenoot van me, niet ken als iemand die op enige wijze geweld rechtvaardigt, terwijl zij nu wel zo afgeschilderd is. Dat is niet terecht op basis van wie zij is.

Aan het framen doen niet alleen de media mee, maar ook islamwetenschappers zelf. Termen als ”islamcriticus” of ”wegkijker” worden mijns inziens veel te gemakkelijk gebruikt om iemand maar weg te zetten en vervolgens geen aandacht aan de inhoud van zijn of haar publicaties te besteden. Maar wat maakt iemand tot een islamcriticus? Is dat iemand die tegen de islam in zijn geheel is of kritisch op de islam in zijn geheel of kritisch op alleen bepaalde aspecten van de islam? Indien we die laatste invulling aan het begrip zouden geven dan zou waarschijnlijk het overgrote deel van de niet-moslims, inclusief Sunier, een islamcriticus zijn, aangezien zij zelf niet meegaan in het islamitische geloof op basis van bepaalde aspecten van het geloof waar zij kritisch op zijn, en waar zij dus niet in willen of kunnen geloven. Bepaalde aspecten van de islam bekritiseren, iets wat het overgrote deel van de aanhangers van deze religie ook zeer regelmatig doet, maakt iemand daarom nog niet per definitie tot een islamcriticus. Een islamcriticus is iemand die zich kritisch uitlaat over de islam als geheel, die deze religie in zij geheel verwerpt als zijnde iets negatiefs, iets waarvan de uitingen problematisch zijn en als een overtuiging die niet samengaat met democratie. Dat is zeker geen houding die ik wens in te nemen of waar ik mij mee identificeer. Dat impliceert overigens niet dat ik nooit kritisch ben over de islam. Waarop ik wel degelijk kritisch ben, is de aanwezigheid van bepaalde ideeën binnen de islam, bijvoorbeeld het salafisme, dat naar mijn mening bijdraagt aan radicalisering, maar ook het vermengen van politiek en religie, iets dat bijvoorbeeld binnen het islamisme gebeurt.

Daarnaast gaat mijn onderzoek over ex-moslims, een groep die te maken heeft met bepaalde denkbeelden en oordelen binnen de islam die hen belemmeren in het uitoefenen van hun godsdienstvrijheid. Dat op dit punt ook binnen de islamitische mainstream hervormingen nodig zijn is niet zozeer het standpunt van een ”islamcriticus”, maar ook de mening van sommige islamitische geleerden, zoals bijvoorbeeld sjeik Abdallah bin Mahfudh ibn Bayyah. Op dergelijke ideeën die de rechten en vrijheden van velen in deze wereld schaden zou in wezen eenieder die redeneert vanuit een liberaal-democratisch referentiekader kritisch moeten zijn. Naast dat kritische standpunt heb ik mij tegelijkertijd ook consequent uitgesproken tegen het boerkaverbod, het hoofddoekverbod, het verbieden van het salafisme, het gebruik van termen zoals ”haatimam”, het wegzetten van orthodoxe moslims als jihadisten en het aanduiden van bepaalde aspecten van het denken van IS als zijnde islamitisch. Daarnaast heb ik me uitgesproken voor het bouwen van moskeeën, het maken van onderscheid tussen islam en islamisme, het bestrijden van discriminatie van moslims, het streven naar een Europese islam en het accepteren van moslims als zijnde onderdeel van Europa. Indien dergelijke meningen iemand tot een ”uitgesproken islamcriticus” maken, dan is dat begrip nog meer aan inflatie onderhevig dan ik al vreesde. Het lichtelijk, zonder inhoudelijke onderbouwing, strooien met dergelijke termen is dan ook onwetenschappelijk.

Beoordeel mensen op hun ideeën, op wat zij zeggen en schrijven, niet op basis van guilty by association of omdat je het in bepaalde opzichten met hen oneens bent. Een hooggeleerde wetenschapper als Sunier zou beter moeten weten dan dat en dat is ook iets wat we van hem mogen verwachten. Laat ons daarom uiterst voorzichtig zijn met het strooien van termen als ”islamcriticus”, ”wegkijker”, ”islamhater” en ”linkse kerk”. Een goed, inhoudelijk debat is immers niet gebaat bij dergelijke frames ten aanzien van personen, maar bij reacties gebaseerd op de inhoud.

DELEN
Gert Jan Geling
Publicist. Kernlid van de denktank Liberales. Onderzoeker aan het Leids Universitair Centrum voor de Studie van Islam en Samenleving dat verbonden is aan de Universiteit Leiden.