Geen grote ommezwaai, wel kleine bijstellingen in Iran

Hoe zinvol zijn verkiezingen als de zittende machthebbers door strenge selectie iedereen kunnen uitsluiten die hen niet aanstaat? Dat is, wat er al jarenlang in Iran aan de hand is, waarbij die machthebbers – nadat in 1997 ‘per abuis’ de hervormer Mohammad Khatami tot president werd gekozen – de touwtjes zo strak aangetrokken hebben dat de inhoudelijke keus voor de Iraanse kiezer zeer beperkt geworden is.

Symbolisch nevenresultaat: zelfs Hassan Khomeini, de kleinzoon van de leider van de Iraanse Revolutie (1978-1979) ayatollah Ruhollah Khomeini (1902-1989), werd door de met streng-orthodoxe moslims gevulde kiescommissie te licht bevonden om deel te nemen aan de parlementsverkiezingen (de eerste ronde van de verkiezingen vond plaats op 26 februuari, de tweede ronde is op 29 april). Inderdaad: te licht, in zowel de letterlijke als de figuurlijke betekenis van het woord, die voor de hele theocratie die Iran – naast de halve democratie die het is – óók is, grote relevantie bezit. Te lichtvoetig qua leerstellige opvattingen, waarbij deze Khomeini junior geenszins van plan was om de scheiding van moskee en staat door te voeren, of iets anders wilds, voor het geval u dat mocht denken. Voor niet-orthodoxen gaat het hier om het soort nuances binnen de orthodoxie die voor buitenstaanders tamelijk onbegrijpelijk zijn, het islamitische equivalent van de vraag of de slang wel of niet gesproken heeft, een kwestie die in Nederlands-protestantse kring tot veel verscheurdheid heeft geleid.

Dat wil niet zeggen, dat ze voor de daaraan onderworpen Iraanse bevolking zonder relevantie zijn. En het wil zeker niet zeggen, dat veel Iraanse kiezers niet best aan die symbiose van moskee en staat zouden willen morrelen. Sterker: dat zouden velen vast willen, om zo voor zichzelf grotere persoonlijke vrijheid te creëren; zeker de stedelijke jeugd – en die wordt met de explosieve bevolkingsgroei steeds talrijker – is het betuttelende getreiter van de zedenpolitie die de waarden van de eigen Iraanse islamitische staat moet verdedigen, meer dan beu.

Dat is dan ook precies de reden waarom de autoriteiten liever zélf streng de kandidaten selecteren die door het volk gekozen worden: uit angst voor een uitslag waaruit zou blijken dat de beginselen van de Iraanse Revolutie, die toch pretendeerde haar legitimiteit mede aan de diepgevoelde wens van de bevolking te ontlenen, in feite helemaal niet (meer) zo breed door die bevolking gedragen wordt. Wat dat betreft leven in Iran in de samenleving véél modernere opvattingen dan in die andere grote theocratie in de regio, Saoedi-Arabië. In sociaal-cultureel opzicht is de kloof qua opvattingen tussen machthebbers en bevolking in het oude Perzië daardoor veel groter dan op het Arabische schiereiland.

Maar, bij alle van bovenaf opgelegde beperkingen: er zijn in Iran in elk geval verkiezingen. Dat valt van die erfelijke Arabische autocratieën niet te zeggen. En die Iraanse verkiezingen verlopen, van de genoemde beperkingen afgezien, ook redelijk eerlijk – ze resulteren althans herhaaldelijk in de meest aan de machthebbers onwelgevallige uitkomst die gezien de omstandigheden mogelijk is. Dat gold in 2013 voor de verkiezing van Hassan Rohani tot president – tot schrik van de ayatollahs won met hem de minst zelote kandidaat – en dat gold ook vorige maand voor het parlement en de ”Raad van Hoeders”: de hardliners moesten het afleggen tegen de iets meer gematigden.

Daarmee breekt geenszins het paradijs uit voor al die Iraniërs die van het theocratisch juk bevrijd wensen te worden, maar evenmin is dit zonder betekenis voor de langere termijn. Binnenlandse hervormingen zullen zeer langzaam gaan, omdat het Iran van de ayatollahs nu eenmaal de vaandeldrager is van een bepaalde anti-westerse ideologie – precies zoals het Cuba van de Castro’s dat is voor een andere. Een grote ommezwaai van vandaag op morgen is dan ook onmogelijk. Dat zou voor het regime een vorm van gezichtsverlies betekenen die door haar felste aanhangers als onacceptabele capitulatie voor het kwaad zou worden opgevat. Slechts kleine bijstellingen, die vooral niet op concessies mogen lijken, omdat ze dan de eigen pretentie van ideologische zuiverheid ondermijnen, zijn mogelijk, waarbij men in woord en gebaar juist op zijn ponteneur moet blijven staan.

De binnenlandse politiek leverde bij deze verkiezingen niet het belangrijkste verschilpunt tussen hardliners en gematigden: dat gold ditmaal voor de buitenlandse politiek. Maar die is ontegenzeggelijk ook van invloed op de kansen van beide kampen om in de toekomst ook de binnenlandse politieke koers te bepalen. Juist daarom zijn de Iraanse machthebbers, die geenszins een homogene groep vormen, daarover zo enorm verdeeld.

Het nucleaire akkoord dat Barack Obama ondanks veel scepsis en tegenwerking in eigen land met Rohani wist te sluiten, vormt de grote splijtzwam. Net als in Amerika hebben ook in Iran de hardliners zich er fel tegen gekeerd: zo’n akkoord, dat alleen al door zijn bestaan het duivelse karakter van de grote Satan relativeert, zet in hun ogen de poorten van Iran open voor het westerse kwaad. Hen is er alles aan gelegen om aan te tonen dat het niet deugt en voor het voortbestaan van de islamitische staatsordening fataal is. De gematigden steunen daarentegen het akkoord, omdat het Iran – als gevolg van de jarenlange boycot in grote economische problemen verkerend – juist armslag geeft. Zichzelf openen naar de wereld betekent echter onvermijdelijk dat de wereld ook Iran binnendringt – en daardoor het land geleidelijk veranderen kan, precies dát waar een groot deel van het electoraat naar snakt.

Het is niet gezegd, dat dat ook inderdaad gebeurt, maar door het land te isoleren, zoals westerse hardliners willen, gebeurt het in elk geval zeker niet. Dat het zal gebeuren, is in elk geval de – vanuit hun perspectief gerechtvaardigde – vrees van de hardliners, en de hoop dat hun vrees bewaarheid wordt, zou voor het Westen reden moeten zijn om voor de door Obama uitgestoken hand naar Teheran te blijven kiezen.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.