Het rijk der moralisten loopt spoedig ten einde

Foto: YouTube

Sinds een jaartje of twee schrijf ik af en toe opiniestukjes en essays voor kranten en bladen. Mijn eerste gebadder in het publicistenmoeras leerde mij dat ik een kant moest kiezen. Niet tussen links en rechts of tussen elite en populisme. Nee, de echte fundamentele tweestrijd is die tussen de goedgemutste gekken en de zendingsdriftige zeloten. Deze twee groepen zijn in een kosmisch conflict verwikkeld.

Ondeugend van aard, sloot ik mij aan bij de goedgemutste gekken. Wij goedgemutsten schrijven speelse, analytische of provocante stukjes, ter vermaak, of om discussie los te maken. Voor verdere hogere doelstellingen zijn we te bescheiden. Onze onvolprezen aanvoerder is columnist en alcoholist Arthur ‘Don Arturo’ van Amerongen (Volkskrant, HP/DeTijd), die Nederland vanuit een Portugees vissersdorp overstelpt met literaire plaagstootjes, gespeend van ieder volksbevoogdend motief.

De zendingsdriftigen daarentegen maken het volk ‘bewust’ van wat goed en wat fout is, en wel door foute mensen en standpunten te identificeren en te corrigeren. Deze moraliseringsmissie zou urgent zijn, omdat iedere verkeerde meningsuiting het menselijk lijden weer een klein stukje vergroot en de door de zendingsdriftigen reeds voorziene, betere toekomst, weer verder uitstelt. Kortom, de wereld staat op het spel, iedere dag weer. En ze weten precies van wie er afstand moet worden genomen en waar de scheidslijnen tussen goed en kwaad lopen. Ze hebben de boom van kennis van goed en kwaad in Gods tuin helemaal leeggegeten, terwijl wij goedgemutsten nog steeds in naakte naïviteit door een vrolijk ambivalent landschap banjeren.

Paneldiscussie over ‘wittenprivilege’
Zo banjerde ik laatst het hol van de betere-wereld-brullende leeuw in. Ik was overgetreind uit Duitsland om deel te nemen aan een paneldiscussie georganiseerd door de SIB-Leiden over ‘wittenprivilege’ – het nieuwste moraliseerconcept – met, jawel, drie van ’s lands grootste moraalhelden: Jerry Afriyie, dr. Ewout Klei en dr. Karwan Fatah-Black. Activist Afriyie vecht voor een wereld zonder racisme en zonder Zwarte Piet. Klei, journalist en historicus, verricht (naast zijn werk voor De Kanttekening) moreel afbakingswerk op Jalta, het beruchte beleringsblog dat zich opwerpt als het morele geweten van rechts. Eigenlijk is Klei een te laat geboren nazi-jager, die Mengele in Paraguay had willen opsporen, maar nu dan maar op fout-rechtse tweets en opiniestukken jaagt. Tenslotte: de Leidse historicus Karwan Fatah-Black. Hij is gespecialiseerd in de transatlantische slavenhandel en vooral bekend van zijn debatten met professor Piet Emmer, de leidende Nederlandse expert op het gebied van slavernijgeschiedenis. In deze debatten neemt Fatah-Black ongeveer dezelfde inhoudelijke historische standpunten in als Emmer, maar hij weet zich te onderscheiden met een ‘onrechtsbewustere’ toon. Zo spreekt hij bijvoorbeeld niet van ‘slaven’, maar van ‘slaafgemaakten’, ook als hij het over mensen heeft die al vanaf hun geboorte ‘slaafgemaakt’ waren. Gevoeligheidsexhibitionisme van de tenenkietelende soort.

Welnu, het discussiepunt: terwijl Afriyie en dr. Fatah-Black voor het gebruik van het begrip ‘wittenprivilege’ pleitten, stelden dr. Klei en ik dat het conceptueel niet goed in elkaar steekt. Het denken in termen van een tweedeling tussen geprivilegieerde ‘witten’ en achtergestelde ‘niet-witten’ doet geen recht aan de complexe (non-binaire) realiteit van etnische diversiteit in Nederland. Bovendien is het onduidelijk of de ‘witheid’ waarvan gesproken wordt, alleen naar huidskleur of ook naar sociale klasse verwijst. Op die manier kom je in absurde discussies terecht, zoals over de vraag of Turkse Nederlanders achtergesteld genoeg zijn om als ‘niet-wit’ of zelfs als ‘zwart’ te gelden, ondanks hun lichte pigment. Met dat soort discussies los je nergens problemen op.

Maar voor de voorstanders van het begrip verwijst het naar een alomtegenwoordig, metafysisch kwaad, dat immigranten en donkergekleurden teistert. Het aanspreken van dat kwaad is de eerste stap naar erkenning en heling. Met de ‘bewustwording’ rond ‘wittenprivilege’ worden zo allerlei morele of zelfs religieuze voorstellingen verbonden. Het praten over ‘wittenprivilege’ dient als bezweringsformule: als we het woord ‘wittenprivilege’ maar vaak genoeg afkeurend uitspreken, dan opent er ooit ergens een poort naar een betere wereld.

Omdat begripssceptici zoals ik die betere wereld vooral in de weg zouden staan, had ik van tevoren gevreesd te worden uitgejouwd door gepikeerde panelisten en safespacende studenten. Maar eerlijk gezegd vielen de deugeskaders best mee en was Afriyie vooral innemend.

De knorrige Fatah-Black
Het enige knorbeest was de Leidse historicus Fatah-Black, wiens gezicht steeds roder werd gaande de discussie. Ik dacht aanvankelijk dat hij nerveus was, of met zijn rode gelaat verder wilde bijdragen aan de diversiteit van het discussiepanel, maar terugkijkend was hij wellicht gewoon boos. Zijn knorrige houding tegen mij was me bij aankomst al opgevallen, omdat hij me minzaam begroette en tijdens de voorstelronde opmerkte dat ‘dr. Hendriks wel erg wilde dingen zegt’. En op dat moment had ik, uhum, nog helemaal niets gezegd.

Maar toch ging ik achteraf nietsvermoedend naar de borrel, verwachtende dat we het gezellig konden houden ondanks meningsverschillen. Het kwam me op anderhalf uur gemoraliseer te staan. Hij deed zo gezellig als een campagnevoerende Ad Melkert. Dr. Fatah-Black bleek met name aanstoot te nemen aan mijn kritische essays over identitair links. En hij klaagde dat ik mezelf aanmerk als ‘opiniemonster’, wat ik doe uit zelfspot, maar wat hij ook weer kwalijk vond. Op een gegeven moment kermde hij: ‘Er worden mensen kapotgemaakt!’ Het leek uit het niets te komen en stak schril af bij het vrolijke studentencafé waarin we ons bevonden. Ik vroeg verbaasd: ‘En dat komt door mij?’ Inderdaad, ik zou met mijn stukjes boosaardige krachten steunen.

Eigenlijk had ik toen als de wiedeweerga moeten vluchten, maar poezelig als ik ben, heb ik zelfs nog met hem en een groepje academici de trein naar Amsterdam gepakt, tevergeefs hopende dat de weledelgeleerde historicus onderweg zou ophouden met zijn gesnauw. Hij bleef hakken. Uiteindelijk associeerde hij mij ook nog met een collega historicus van hem in Leiden, die de verkeerde meningen heeft, alleen bagger op papier zet en als mens immoreel is. We vielen aan de verkeerde kant van zijn goed-fout indeling. Ik vroeg: ‘Beweer je nou dat hij zich in een volledig immorele wereld beweegt, terwijl jij in een volledig morele wereld leeft?’ Mijn retorische vraag had eigenlijk tot doel om een relativering te forceren, maar hij antwoordde ‘ja’.

Chiliasme
Deze zwart-witte denktrant is mij als goedgemutste wezensvreemd. Om haar te begrijpen, lees ik nu boeken over chiliastische bewegingen. Dat zijn religieuze bewegingen die een absolute goed-kwaad dualiteit postuleren en geloven dat het goede op het punt staat om het kwade definitief te verslaan, waarna de beloofde heilstaat zal aanbreken. Zo geloven sommige Christelijke groepen op basis van een vrij letterlijke bijbelinterpretatie dat Jezus na zijn wederkomst, de duivel zal opsluiten en een duizendjarig vredesrijk zal stichten op aarde, alvorens alle gedoemde slechteriken op de dag des oordeels in een vuurmeer belanden. Maar zulke voorspellingen over een naderend ‘hemel op aarde’ komen in veel culturen voor.

Een grappige verschijningsvorm zijn de cargo cults (transportgoederen-culten) in Melanesië. De inheemsen aldaar waren in het begin van de twintigste eeuw zo onder de indruk van de mysterieuze lucht- en scheepsvracht die westerse kolonisten ontvingen uit een ‘andere wereld’, dat ze er een hele religie omheen bedachten. Ze geloofden dat hun voorouders prompt uit de dood terug zouden keren met een enorme bak cargo, waarna er een tijdperk van materiële overvloed en raciale rechtvaardigheid zou aanbreken, vrij van blanke overheersing. Op het eiland Tanna begon men het mysterieuze messiasfiguur John Frum (waarschijnlijk een verbastering van John from America) te vereren, die op het punt zou staan om samen met de voorouders en de cargo aan te monden op het strand. Tot op heden bereiden de eilandbewoners zich ieder jaar op 15 februari voor op de komst van John Frum door zich ritueel als vroeg twintigste-eeuwse Amerikanen te verkleden en met ‘U.S.A.’ op de borst geverfd te dansen.

Zulke chiliastische rituelen moeten het aanbreken van de beloofde heilstaat bespoedigen. De westerse, geseculariseerde variant hierop is het geritualiseerde gedeugpronk van opinisten, die met ‘goede’ meningsuitingen en bezweringsbegrippen zoals ‘wittenprivilege’, een betere wereld dichterbij zouden brengen. Zowel in Nederland als in den verre loopt dit soort rituele deugdoenerij altijd weer uit op een zendingsdriftig feestje. De gedachte is immers dat hóé meer mensen ‘bewust’ worden van de heilige boodschap door mee te doen met de rituelen, hóé waarschijnlijker het wordt, dat een betere wereld zich spoedig zal verwerkelijken. Iedereen moet meedeugen. Sceptici zijn de wegblokkeerders van de toekomst. Zie hier de snode wijze waarop de zendingdriftige, het niet-meedeugende, doch des te deugdzamere, opiniemonster tot de zondebok van een weerbarstige werkelijkheid maakt!

Het wordt tijd dat wij die sluwe zendingsdriftigen met hun eigen wapens bestrijden. Welja, ik heb ook nog een voorspellinkje hoor.

Mijn voorspelling
Ik voorzie dat de strijd tussen de goedgemutsten en de zendingsdriftigen spoedig definitief in óns voordeel zal worden beslist. Wij goedgemutsten; wij, de badineerbazen en verkwikkende kwetteraars; wij die capituleren in aanschouw van een door en door ambivalente wereld en maar gewoon stukjes schrijven, omdat we toch niet weten waar het allemaal heen gaat of heen moet – wíj zullen zegevieren. Onze gutoguts zullen hun behoehoe’s voor altijd verslaan.

Gerechtigheid zal geschieden. Alle deugknapen, normies, moraalvergaloppeerden en solidariteitstatta’s; al die mensen die zo ‘bewust’ zijn van zus of zo; al die distantieerdiva’s, afbakeningsberten, aanmatigingsmaatjes, mekkermarxisten, messianistische meisjes, vingerzwaaivedetten, ha-hoor-mij-eens huichelaars en klaagkoeiende Koerden – ze belanden allemaal in een grote soeppan en zullen voor straf duizend jaar lang in hun eigen sop gaarkoken!

Zie ik dr. Fatah-Black daar lekker sudderen? Hij lijkt iets belerends te willen zeggen, maar hij is moeilijk te verstaan, omdat hij telkens weer in zijn eigen gaarkokende sopje onderdompelt. ‘De transatlantische wer…’ – blub. ‘In Bantam werd in 1629…’ – sop.

Sla acht op de voortekenen. Als de dag des oordeels nadert, zal een grote aardbeving alle morele afbakeningsschema’s door elkaar schudden. Daarna zal de verlosser op dit helse moeras neerdalen. Hij komt, zo heb ik voorzien, vanuit Portugal, vanuit een plaats genaamd Fuseta. Fluister, zing en prijs zijn naam, iedere dag weer, zodat het rijk der moralisten spoedig ten einde loopt: Don Arturo, Don Arturo, Don Arturo.

DELEN
Eric Hendriks
Socioloog aan de Universität Bonn. Essayist.