Hotel Mama

Foto: StockSnap

Ik open de deur van mijn tienerkamer. Een wolkje stof vliegt me tegemoet. Ik kan geen hand voor ogen zien door de duisternis van de avond. Routineus vindt mijn hand het lichtknopje. Mijn kamer ziet er nog precies hetzelfde uit als jaren geleden, toen ik het ouderlijk huis definitief verliet: de roze muren met glitters, het truttige bloemetjesbehang, de nep-kroonluchter die aan het begin van de eeuw nog heel hip was, de stickers met ‘I love Tel Aviv’ en de poster met een veel te brave tekst van Loesje. ‘Liever eigenwijs dan helemaal geen zelfvertrouwen’, staat erop.

Mijn rolkoffer zet ik in een hoek en ik begin mijn spullen uit de pakken. Bij de eerste aanraking valt mijn oude kledingkast uit elkaar, dus rangschik ik mijn broeken en jurken in stapels op de grond. Op het witte IKEA-bureau, waar ik vroeger urenlang achter de computer zat te chatten via MSN Messenger, zet ik nu mijn gezichtsverzorgingsproducten, inclusief een crème om de eerste tekenen van huidveroudering tegen te gaan. Achter het bed (mét roze dekbed) tref ik een halfvergane foto van Audrey Hepburn aan, mijn favoriete stijlicoon in 2004.

Dat ik hier ooit weer zou intrekken had ik niet verwacht. De vrijheid die ik vergaarde zodra ik op mezelf ging wonen woog zwaarder dan de verse maaltijden die mijn moeder iedere avond voor me kookte. Ook het feit dat zij niet langer mijn was deed en mijn lakens verschoonde nam ik op de koop toe. Toch ben ik terug in ‘Hotel mama’, als tweeëndertigjarige vrouw.

Mijn plotselinge terugkeer heeft niets te maken met de idiote prijzen van de huizenmarkt. Sterker nog: ik huur een woning van het formaat postzegel op nog geen kilometer afstand, waar ik iedere maand minstens de helft van mijn inkomen aan spendeer. Ik ben ook niet teruggekomen omdat ik het te ongezellig vond om in mijn eentje te wonen, of omdat ik de verantwoordelijkheden van het volwassen leven niet langer aankon. Ik ben hier niet om verzorgd te worden. Integendeel: ik ben hier om voor mijn vader te zorgen.

Het ging al een tijdje niet goed met papa, maar de laatste weken heeft hij ook moeite met eten, drinken en lopen. Zijn ziekte vreet hem langzaam op. Het is gek hoe de cyclus van het leven verandert. In mijn puberteit sloot ik me geregeld op in deze kamer omdat ik geen zin had in het gezeik van mijn ouders. Nu slaap ik hier om zo dicht mogelijk bij mijn vader te zijn. Om hem gerust te stellen wanneer dat nodig is. Om zijn hand te kunnen vasthouden. Tot de allerlaatste snik.

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.