Hutaks geweldsfantasieën onteren niet Nanninga maar het geschreven woord

Foto: Learay

Gesimuleerd geweld is een merkwaardig genre. De auteur simuleert in woord of beeld geweld tegen een bepaald persoon of groep personen om uiting te geven aan een reële vijandigheid. Het gaat niet persé om een concreet dreigement, maar toch tonen zich in zulke geweldssimulaties authentieke gevoelens van agressie. De auteur probeert zo’n geweldssimulatie dikwijls te verbloemen als een kunstzinnige geste of meningsuiting. Geweldssimulaties zijn kunstzinnig normaliter niet hoogstaand en als ‘meningsuiting’ plaatsen ze zich buiten iedere rationele discussie.

Ik kwam hier in China laatst een uitgesproken voorbeeld van gesimuleerd geweld tegen, de nieuwe rapvideo Gua laowai van de bekende rapper Fat Shady uit Chengdu. Gua is een scheldwoord in het Chengdu-dialect. Laowai is een informele term voor niet-Aziatische, met name blanke buitenlanders. Gua laowai betekent ‘stomme buitenlander’ of ‘stomme blanke’. De video begint met de vermeende nuancering dat niet zijn buitenlandse vrienden, maar alleen de ‘slechte gua laowai‘ het doelwit zijn: ‘Gua laowai, ik neuk je moeder.’ Vervolgens bestaat de rap uit verwensingen jegens ‘gua laowai‘. Onbewust spreekt uit de rap de onzekerheid van haar auteur: ‘Jullie gua laowai komen naar China voor de vrouwen.’ De video eindigt met het beeld van Fat Shady die met een honkbalknuppel het hoofd van een witte etalagepop eraf slaat. Op de pop staat in Chinese karakters gua laowai geschreven. Ik ben bekend genoeg met de diepgewortelde Chinese xenofobie om te weten dat hier een echt geweldsverlangen uit spreekt.

Net toen ik begon te denken dat geweldssimulaties vooral het stokpaardje zijn van mediaproducenten uit Chengdu en Raqqa, las ik in Het Parool van 29 oktober de column van Massih Hutak. De Afghaans-Nederlandse columnist en voormalig docent Maatschappijleer richt zijn pijlen op Annabel Nanninga. Nanninga heeft onlangs de journalistiek verlaten om de lijst van het Forum voor Democratie in de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen aan te voeren. Genoeg reden dus om haar kritisch door te lichten. Ze heeft als columniste jarenlang zo veel geschreven dat er genoeg inhoudelijks is om aan te vallen. Bovendien zou je kritiek op haar overstap naar de politiek kunnen leveren. Nanninga heeft namelijk weinig bestuurservaring en zal misschien moeite hebben om zich in bijvoorbeeld de voor Amsterdam belangrijke erfpachtdiscussie te profileren. Maar Hutak bekritiseert geen van Nanninga’s ideeën noch haar bestuurlijke onervarenheid. Hij probeert haar te onteren als vrouw door haar af te schilderen als zijn bitch.

‘Kom, laten we (…) ons beiden bloot geven. Letterlijk. Wat nou als (…) ik dan Annabel (…) een full body massage geef? Ze hoeft me niet uit te leggen hoe ze het hebben wilt, ik weet waar ze van houdt: drukken waar het pijn doet. En drukken zal ik. (…) Hoe meer ze zegt dat ik van haar voeten moet afblijven, des te fermer ik mijn vingers zal verstrengelen tussen haar tenen. Volledig in de filosofie van haar bedrijfsleider: nee is ja. (…) De massage zal, met haar goedkeuring, te livestreamen zijn via Instagram zodat we achteraf niet hoeven te tweeten met #MeToo en #IHave. Lieve Annabel, ik wacht. Kom je?’

Hier staat eigenlijk dat hij Nanninga echt een keer seksueel wil vernederen. De seksuele toespelingen zijn niet van een minnaar. Nee, ze moet terug haar hok in worden geneukt. Het gaat om het aantasten van haar integriteit, het vernederende element. En ze moet pijn lijden. Tenslotte verwijzen ‘nee is ja’ en MeToo – op Twitter gebruikte hashtag voor beschuldigingen van ongewenste intimiteiten – naar seksueel geweld. Hutak wil onze gedachten nadrukkelijk die richting in duwen. Het is vervolgens niet duidelijk of het ‘livestreamen via Instagram’ tot doel heeft om te bewijzen dat de denkbeeldige seks toch vrijwillig plaatsvond. Een alternatieve, even consistente lezing van diezelfde zin is dat het de verkrachting juist voor het oog van de natie moet vastleggen, zodat er achteraf inderdaad geen Twitter-beschuldigingen meer nodig zijn.

Net als bij Fat Shady, toont ook deze geweldsfantasie ons meer over de onzekerheden van haar auteur dan bedoeld was. Hutak lijkt zich bedreigd te voelen door een vrouw die misschien een leidinggevende functie gaat bekleden in zijn stad, Amsterdam. Zou zij niet boven hem staan in de pikorde? Hij keert dat schrikbeeld in zijn fantasie om door haar juist onder zich te plaatsen als zijn denkbeeldige bitch en triomfantelijk zijn eigen mannelijkheid te vieren. Eerder in het stuk schept hij op over zijn baard die zo ‘mooi’ zou zijn dat Thierry Baudet er ‘bang’ van wordt – weer zo’n grapje waar een echt identiteitsverlangen in doorklinkt. Hutuk wil het alfamannetje zijn. De door hem gevierde mannelijkheid is niet dat van de beschermende, dappere of inspirerende man, maar dat van de agressieve bullebak. De absolute verlaging.

Uiteindelijk onteren Hutaks geweldsfantasieën niet Nanninga, maar het geschreven woord. De geschreven publieke discussie behoort een verheven domein van ideeën, argumentatie, analyse, schoonheid en belijdenis te zijn. Gesimuleerd geweld hoort bij een ander en veel primitiever levensdomein.

DELEN
Eric Hendriks
Socioloog aan de Peking University. Schrijft vanuit vergelijkend perspectief over democratische en autoritaire regimes.