India en Pakistan voeren een merkwaardige wapenwedloop

Foto: Reuters

Als het gaat om de proliferatie en dreiging van nucleaire wapens zijn de ogen van de wereld de laatste jaren vooral gericht op Iran en Noord-Korea. Maar in een ander deel van Azië bevinden zich al sinds jaren twee kernwapenmachten die het non-proliferatieverdrag niet hebben ondertekend. Wat er zich op nucleair gebied tussen India en Pakistan afspeelt, ontsnapt nogal eens aan onze aandacht. En dat, terwijl er op dit moment ontwikkelingen gaande zijn die de nucleaire drempel tussen beide landen kan verlagen. Dat wil zeggen, dat het gebruik van kernwapens in een gewapend conflict waarschijnlijker kan worden.

India en Pakistan zijn sinds hun ontstaan uit het Brits-Indische rijk in 1947 al vele malen met elkaar in oorlog geweest. Al die conflicten werden met conventionele wapens in het voordeel van India beslecht. En in het conflict over Jammu en Kasjmir, het voormalige prinsdom dat door beide landen wordt geclaimd, staan hun legers al jaren tegenover elkaar. Daarnaast onderhoudt Pakistan een warme relatie met China, terwijl India het juist regelmatig met dat land aan de stok heeft.

India is in 1974 begonnen met het ontwikkelen van kernwapens. Het heeft inmiddels de beschikking over een zogenaamde nucleaire triade. Dat houdt in dat het kernwapens vanaf de grond, vanaf zee en vanuit de lucht kan afvuren. Ook Pakistan is in de jaren zeventig begonnen met het ontwikkelen van kernwapens. Daar heeft de destijds bij het Brits-Nederlandse Urenco in Hengelo werkzame ingenieur Abdul Qadir Kahn een belangrijke rol in gespeeld. Het is bekend dat hij blauwdrukken van ultra-centrifuges voor de verrijking van uranium naar Pakistan heeft gesmokkeld. Daar werden ze onmiddellijk nagebouwd en toegepast in het verrijkingsproces van uranium om de benodigde splijtstof voor kernwapens te produceren. Overigens met medewerking van Nederlandse studievrienden en zakenmensen. Daarnaast heeft Kahn ook een geheim netwerk opgericht om kernwapentechnologie aan Iran, Libië en Noord-Korea te verkopen. Dat Kahn-netwerk is inmiddels ontbonden, maar delen ervan zijn mogelijk nog steeds actief. In combinatie met de aandacht van diverse separatistische en terroristische groeperingen voor radioactieve splijtstof vormt dat een niet te veronachtzamen risico.

Na zo vaak door India verslagen te zijn in conventionele oorlogen, realiseerde Pakistan zich dat het op een andere manier strijd moet voeren tegen India. Frappant is dat het aantal aanslagen door moslimterroristen van Pakistaanse origine in India toenam. Veel van die aanslagen werden door India herleid tot activiteiten van de Pakistaanse inlichtingendienst (ISI). Op die aanslagen probeerde India vooral militair-conventioneel te reageren door de druk in Kasjmir op te voeren en daar eventueel terrein op het Pakistaanse leger te veroveren. Maar daarbij bleek dat het Indiase leger behoorlijk traag is in het mobiliseren. Daardoor had Pakistan ruim voldoende tijd om zijn eigen troepen in staat van paraatheid te brengen. Het gevolg was dat een offensieve vergeldingsactie van India op zoveel Pakistaanse tegenstand kon rekenen dat het zinloos zou zijn.

Het Indiase leger reageerde daarop met de zogenaamde Cold Start-doctrine. Die houdt in dat zich langs de Pakistaans-Indiase grens, inclusief Kasjmir, een groep Indiase legerdivisies zich permanent in de hoogste staat van paraatheid bevindt. Deze legergroep moet indien nodig snel in actie kunnen komen en met name in Kasjmir terrein veroveren, voordat Pakistan militair kan reageren en de wereldgemeenschap op India druk uitoefent om zijn agressie te staken. Een cunning plan lijkt het….

Pakistan beseft terdege dat het tegen zoveel conventionele overmacht van India geen kans heeft. Het heeft dus besloten een dergelijke strategie af te schrikken door fors te investeren in ‘tactische’ kernwapens. Daardoor zou het land, zo redeneert het, op een mogelijke Indiase conventionele aanval ‘beperkt’ met kernwapens kunnen reageren. Kleine, ‘tactische’ kernwapens kunnen bovendien met meerdere soorten overbrengingsmiddelen worden ingezet. Pakistan is daardoor in staat kernwapens in te zetten via kleine raketten, artillerie, kruisvluchtwapens en zelfs torpedo’s, waardoor het eveneens over een nucleaire triade beschikt. Daarmee neemt theoretisch de kans toe dat Pakistan in een conflict met India kernwapens kan zetten. De atoomdrempel is dus verlaagd.

Daarnaast beschikt het land over een zo’n grote voorraad splijtstof (plusminus drieduizend kilogram, terwijl zes kilogram genoeg is voor een ‘tactisch’ kernwapen) dat het theoretisch in staat is zijn huidige voorraad kernwapens (plusminus honderddertig, evenveel als India) meer dan te verdubbelen. Het zal in de praktijk niet zo’n vaart lopen, omdat het Pakistan aan materiële en financiële middelen ontbreekt om dat daadwerkelijk te doen. Maar zo’n grote voorraad splijtstof in combinatie met vermoedelijk nog steeds actieve restanten van het Kahn-netwerk en grote interesse vanuit terroristische groeperingen kan op termijn een groot probleem gaan vormen.

Voorts is het de vraag hoe India op termijn gaat reageren op de Pakistaanse strategie van afschrikking met ‘tactische’ kernwapens. Het bedrieglijke ‘tactische’ karakter van dit soort wapens is namelijk dat ze in gebruik ‘tactisch’ bedoeld kunnen zijn, maar dat de uitwerking uiteindelijk altijd strategisch is, omdat een tegenstander daardoor vrijwel zeker ook met kernwapens zal reageren. India beschikt namelijk over raketverdedigingseenheden, waarmee het land zichzelf, maar ook zijn kernwapens wil beschermen. Daardoor heeft het de beschikking over een zogenaamde second strike capability, waarmee het land na een Pakistaanse aanval met kernwapens zelf ook met kernwapens kan terugslaan…

De verlaging van de atoomdrempel op het Indische subcontinent is daarmee een feit en dat brengt ernstige risico’s met zich mee.

DELEN
Peter Wijninga
Defensiedeskundige. Strategisch analist bij het The Hague Center for Strategic Studies. Voormalig officier van de Koninklijke Luchtmacht.