Kaddafi heeft gelijk gekregen in Libië

Foto: Reuters
Van 1378 tot 1417 was de Rooms-Katholieke Kerk in Europa in tweeën gespleten, een periode die als ‘Westers Schisma’ of ‘Grote Schisma’ bekend staat. Twee pausen stonden liefst veertig jaar tegenover elkaar, eentje zetelend in Rome, en eentje in Avignon, elk van beiden gesteund door een reeks Europese vorsten. Die in Avignon was gekozen als tegenpaus van die in Rome, nadat die in Rome vanuit Avignon (waar de pausen gedurende enige decennia in ballingschap waren geweest) naar Rome was teruggekeerd. Beide pausen verklaarden in naam van de absolute geloofswaarheid die zijzelf in pacht meenden te hebben elkaars besluiten voor nietig en excommuniceerden voortdurend elkaars volgelingen, wat neerkwam op een vrijbrief voor moord. Deze toestand kon niet eeuwig voortduren en in 1409 sloegen eindelijk een aantal kardinalen en koningen de handen ineen om dit probleem op te lossen. Op het Concilie van Pisa werden beide pausen voor afgezet verklaard en door een nieuwe vervangen, die als residentie Bologna uitkoos – Rome kwam hij niet in. Want helaas: veel andere kardinalen en koningen bestreden de rechtsgeldigheid van deze uitverkiezing, de beide zittende pausen zelf weigerden op te krassen, en dus waren er nu drie. Pas zes jaar later, op het Concilie van Konstanz, slaagde men erin om het trio tegelijk de laan uit te sturen en zich vervolgens op de keuze van een nieuwe paus te verenigen, waarmee de eenheid van de Kerk was hersteld.

Welke lezer wordt nu niet aan de recente gang van zaken in Libië herinnerd? Een seculiere, door het Westen erkende regering in Benghazi, een vijandige fundamentalistische in Tripoli en vervolgens een als compromisoplossing bedoelde derde regering die dan voor de kust op een schip moet wachten, omdat die door geen van beide regeringen aan land als de hen uit hun tweestrijd verlossende opvolger wordt aanvaard. Dat er daarnaast, als gevolg van de hieruit voortvloeiende permanente anarchie, in de Libische woestijn ook nog een dependance van IS is ontstaan, laat ik dan buiten beschouwing.

Inmiddels is er – tenminste verbaal – wel sprake van enige toenadering, en bereidheid tot inschikken, maar of die lang standhouden zal? Net als Egypte is Libië verdeeld in een seculier en een religieus kamp en de verdeeldheid zit zo diep dat geen van beide kampen de legitimiteit van een nationale regering erkent, wanneer democratische verkiezingen in de zege van het vijandige kamp resulteren.

Daar komt dan ook nog eens – anders dan Egypte – het tribalisme bovenop. Kort gezegd: anders dan de Egyptenaren vormen de Libiërs geen volk, maar nog steeds niet meer dan een verzameling stammen zonder veel collectief nationaal gevoel. Alleen de intern-godsdienstige controverse tussen soennieten en sjiieten, die Irak en Syrië verscheurt, ontbreekt, want vrijwel alle Libiërs zijn soenniet.

Had Muammar al-Kaddafi (1942-2011) gelijk, toen hij, nadat de ‘Arabische Lente’ ook zijn land bereikt had, stelde dat het zonder hem een chaos zou worden en hij de enige was die – met harde hand – de boel bij elkaar kon houden? Het lijkt er helaas wel op: bij zijn gewelddadige dood bleek het natievormingsproces, dat hij na zijn staatsgreep ruim veertig jaar eerder in gang had gezet, nog verre van voltooid.

De gevallen dictator claimde tegelijk dat hij van Libië een eenheid gemaakt had en dat Libië zonder hem uiteen zou vallen. In zekere zin was dat een tegenstrijdige claim: als het eerste echt zou kloppen, zou er geen risico meer op het tweede bestaan. Zoals we inmiddels weten, werd het tweede echter de werkelijkheid, met dank aan de vele wapens die in het land circuleerden en zo de vele uit het verzet tegen Kaddafi ontstane milities van stootkracht voorzagen.

De deels uit beperkende VN-resoluties voortvloeiende halfslachtige westerse aanpak van het Kaddafi-regime – militaire steun van het verzet op afstand, geen politieke bemoeienis nadien – valt uiteraard niet los te zien van de wansuccessen in Irak: intensieve Amerikaanse politieke bemoeienis na een door de Amerikanen zélf direct langs militaire weg bewerkstelligde val van Saddam Hussein (1937-2006) heeft in Bagdad niet het democratische paradijs opgeleverd dat George W. Bush de wereld beloofde.

Dat moet eenieder óók bedenken die nu stelt dat het Westen in Libië de afgelopen jaren nalatig is geweest. Obama heeft die ‘nalatigheid’ recent zelf als één van zijn grootste missers betiteld – maar had meer westerse bemoeienis tot een betere uitkomst geleid, of juist – zie Irak tot grotere haat jegens het Westen? En ook – dat was de vervolgens voor Syrië getrokken les uit de resultaten van interventie in Irak en halfslachtige bemoeienis in Libië – gewoon helemaal niets doen, blijkt intussen in de Arabische wereld niet echt een oplossing te zijn.

Als gevolg van het Syrische drama is de westerse aandacht voor Libië de laatste tijd enigszins verslapt. Dat is niet alleen problematisch met het oog op de wankele verhoudingen in buurland Tunesië, waarvan het slagen – een islamitisch land dat als functionerende democratie – ook voor Europa van belang is, omdat dit, zeker na de huidige autocratische ontsporing van Turkije, op de lange termijn een voorbeeldfunctie voor de regio kan vervullen die de stabiliteit ten goede komt.

Er bestaat ook een andere reden voor. Nu, middels een dubieuze deal met datzelfde Turkije, de Syrische vluchtelingenstroom – die de EU politiek steeds meer dreigde te splijten – is afgeknepen, begint deze laatste zich te verplaatsen naar de andere zwakke stee aan de Middellandse Zee: de failed state Libië. Kaddafi hield de bootjes tegen. Met het zomerseizoen in aantocht neemt hun aantal weer gestaag toe, met groeiende problemen voor Italië. Alleen dat al dwingt Europa om zich binnenkort weer intensiever met Libië te bemoeien dan voorheen. De moeilijke hamvraag luidt alleen: hoe?

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.