Komt Nederland ooit af van Afghanistan?

Foto: Reuters

Het is acht jaar geleden dat het laatste kabinet-Balkenende over voortzetting van de militaire missie in Uruzgan viel. Nu overweegt Den Haag een nieuwe op te tuigen om de Taliban uit te schakelen. Kennelijk blijken eerdere officiële beweringen dat het doel de Taliban eronder te krijgen allang grotendeels bereikt is, niet helemaal te kloppen. Een blik op het kaartje dat de Volkskrant er 12 april bijleverde, maakt duidelijk dat dat zelfs een understatement mag heten. De gebieden ‘onder controle van de regering’ vormen slechts een paar blauwe vlekjes op een kaart die verder in vier tinten rood kleurt, naarmate een district meer door aanvallen van de Taliban wordt bedreigd. Daarbij is de kaartenmaker zeer secuur te werk gegaan, alsof het de sterren van een Michelin-reisgids betrof, met onderscheid tussen ‘onder volledige controle van de Taliban’, ‘minstens twee aanvallen per week’, ‘minstens drie per maand’ en ‘eens in de drie maanden’.

Nederlandse troepen die de Taliban gaan uitschakelen. Het is dat het woordje ‘definitief’ ontbreekt, maar wanneer hebben we dat eerder gehoord? Sinds het roekeloze militaire antwoord van George W. Bush op 9/11 zitten niet alleen de Amerikanen in het moeras van het Midden-Oosten vast. Als überloyale bondgenoot blaast ook Den Haag een partijtje mee. Een nuchtere analyse van de slagingskansen legt het daarbij steeds weer af tegen het politieke prestige dat Nederland aan meedoen meent te ontlenen. Een politiek prestige, waarvan men stilzwijgend hoopt dat het zich in economische voordelen vertaalt. Ofschoon die link nooit openlijk gelegd mag worden, is het verband evident: voor het vanouds met een financieel waterhoofd gezegende handelsland Nederland is aanzitten aan internationale conferentietafels essentieel en toen het in 2010 Amerika in Afghanistan in de steek liet, was het ook binnen de kortste keren zijn plaatsje aan de G20-tafel kwijt.

Net als toen zou ook nu de hamvraag niet moeten zijn wat men in Afghanistan voor Nederland, maar voor de Afghanen denkt te kunnen bereiken. Die vraag dringt zich des temeer op, omdat Den Haag indertijd vertrok met de verzekering dat het zijn doelen al had bereikt en de twee redenen die toentertijd gegeven werden om de publieke opinie van nut en noodzaak van de militaire missie te overtuigen, ongetwijfeld ook nu weer zullen worden opgevoerd. De twee redenen: duurzame veiligheid en ontwikkeling. Met het eerste moest de rechtse en met het tweede de linkse kiezer van de wenselijkheid van deelname aan de Afghaanse burgeroorlog worden overtuigd. Want oorlogvoeren, daar houden we in Nederland niet zo van. Daarom noemen we dat ook bij voorkeur een wederopbouwmissie.

Die twee pretenties gaan uit van twee misverstanden die met elkaar samenhangen. De eerste is dat de Taliban buitenstaanders zijn van wier terreur het land alleen dient te worden bevrijd teneinde het pad naar ongekende vooruitgang te effenen. De Taliban zijn echter diep in de tribale Afghaanse samenleving geworteld, waarin zij ook steeds weer ongezien op kunnen lossen, want een baard en een geweer draagt ginds iedereen. Dat ze dat kunnen valt met het tweede misverstand samen, namelijk dat de Afghanen massaal op ons concept van vooruitgang zitten te wachten en diep in hun hart de westerse waarden inzake democratie, inclusief vrouwen- en homorechten, delen. Wij kunnen dat heel jammer vinden, maar dat is niet zo. Eerder worden door de meeste Afghanen de religieus gemotiveerde morele opvattingen van de Taliban gedeeld. Dat valt niet eventjes van buitenaf te veranderen, zoals door de humanitaire missieverkopers wordt gepropageerd. Het dichten van zo’n immense culturele kloof vergt minstens generaties.

Het woord ‘eventjes’ is daarbij cruciaal. Het geeft het fundamentele dilemma aan. De door een vierjaarlijks verkiezingscarrousel bepaalde tijdshorizon van westerse politici is een andere dan die van de mensen ginds. ‘Jullie hebben de horloges, maar wij hebben de tijd.’ Geduld is een schone zaak, maar dat kan Den Haag niet opbrengen. De kiezer wil snel resultaat, dus spreekt ons leger bij zijn komst meteen ook een einddatum af. Maar wie in een oorlog van tevoren het einde van de oorlog aankondigt, heeft die oorlog al bij voorbaat verloren, want de tegenstander weet dan dat tijdrekken voor een overwinning volstaat. Vandaar dat steeds opnieuw na afloop van onze oorlogsdeelname wordt verkondigd dat we de Taliban eronder hebben gekregen en dan even later weer een nieuwe missie nodig blijkt om ze alsnog eronder te krijgen. Dat betekent, gezien de taaiheid van de Taliban én hun opvattingen, dat Nederland niet voor een paar jaar, maar tenminste voor een paar decennia zou moeten blijven om de boel te stabiliseren en moderniseren. We hebben daarmee in het verleden ook best wat ervaring opgedaan, zij het zeer gemengde. Er kleeft namelijk één groot nadeel aan. Zo’n systeem waarbij een ander land langdurig de scepter zwaait noemen we koloniaal en koloniale machthebbers zijn zelden populair.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.