Moskeeën moeten actiever zijn tegen radicalisering

Foto: Reuters
Het anti-radicaliseringsbeleid werd in Nederland nieuw leven ingeblazen, nadat Rob Bertholee, het hoofd van de AIVD, in februari 2013 waarschuwde voor een groeiende groep ‘jihadisten’ die naar vooral Syrië was vertrokken. Het kabinet Rutte-Asscher presenteerde een jaar later het actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme, waarbij gebruik werd gemaakt van de ervaringen die waren opgedaan met beleid en activiteiten die na de moord op Theo van Gogh (2004) waren ontwikkeld. Het accent lag meer dan in het verleden op repressief beleid en minder op preventief beleid.

Wat wel en wat niet werkt tegen radicalisering, is door gebrek aan onderzoek en evaluaties nog onvoldoende bekend. Ondanks dit gebrek aan harde kennis, buitelen de vele zelfbenoemde experts in de media de afgelopen jaren over elkaar heen. Het aantal radicaliseringsexperts overtreft het aantal Syrië-gangers inmiddels ruimschoots.

Niet voor niets, want er gaat een hoop geld naar vooral de beveiligingsindustrie, maar ook naar adviesbureaus, onderzoekers en maatschappelijke organisaties in bijvoorbeeld de sectoren welzijn en onderwijs. De experts komen uit alle hoeken tevoorschijn, waarbij vooral opvalt dat het aantal moslims is ondervertegenwoordigd.

Hetzelfde geldt voor de instellingen die door de overheid worden ingeschakeld om radicalisering tegen te gaan: daar zitten amper islamitische organisaties, laat staan moskeeorganisaties tussen. Deze organisaties hebben niet alleen als meerwaarde dat ze ook buiten kantooruren open zijn, maar ook dat ze vaker direct in contact kunnen komen met de individuen die radicaliseren of met hun familie en vrienden. Islamitische organisaties kunnen radicalisering eerder signaleren, ze kunnen jongeren en ouders weerbaar maken en ze kunnen bovendien een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen en laten horen van een religieus tegengeluid tegen extremistische groepen.

In de periode na de moord op Van Gogh werden Nederlandse moskeeorganisaties in beperkte mate betrokken bij de ontwikkeling van het anti-radicaliseringsbeleid. Van overheidszijde bestonden er twijfels over de organisatorische capaciteiten van de organisaties. Ook werd er geworsteld met de vraag in hoeverre de overheid samen kan werken met moskeeorganisaties of hun activiteiten kan financieren zonder dat de scheiding van kerk en staat in het geding komt. Tegelijkertijd is er steeds meer overheidsbemoeienis gekomen met moskeeorganisaties, bijvoorbeeld met de komst van predikers of bij imamopleidingen in Nederland.

Ook was er van de kant van de moskeeën nog niet veel animo om zich actief in te zetten tegen radicalisering. Het was voor veel islamitische organisaties nog een ver-van-mijn-bed-show. Eén van de uitzonderingen hierop vormden de Raad van Marokkaanse Moskeeorganisaties Noord-Holland (RVM) en de Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties Nederland (UMMON) die samen met het voormalige ACB Kenniscentrum het project Voorkomen is beter dan genezen ontwikkelden, waaraan 18 Marokkaanse moskeeën uit Noord-Holland deelnamen. Het project werd aanvankelijk met veel argwaan bejegend, maar werd uiteindelijk positief geëvalueerd.

De afgelopen jaren is het gevoel van urgentie onder migrantenorganisaties en moskeeorganisaties om zich actief in te zetten tegen radicalisering een stuk groter geworden. Dat komt allereerst doordat radicalisering dichterbij is gekomen. Veel mensen, in het bijzonder Marokkaanse Nederlanders, kennen via via wel iemand die naar Syrië is vertrokken. Ook de angst voor polarisatie en mogelijke aanslagen is toegenomen. Er is daarnaast ook meer aandacht gekomen voor de rol van religie. Dit komt onder andere door de propaganda van IS, de religieuze motieven van een groot deel van de Syrië-gangers, maar ook door de soms bijna obsessieve aandacht voor de islam in het Nederlandse integratiedebat. Veel moskeeën willen een tegengeluid kunnen geven aan extremisten, maar worstelen met de wijze waarop en een gebrek aan kennis en middelen. Tot slot is er meer animo om zich in te zetten tegen radicalisering, omdat vooral een nieuwe generatie, in Nederland gewortelde bestuurders, nadrukkelijker maatschappelijke verantwoordelijkheden ziet voor islamitische organisaties en moskeeën.

Dit alles maakt de tijd rijper voor een actievere rol van moskeeorganisaties bij het tegengaan van radicalisering. Het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) is hierbij voor de overheid een logische, maar ook kwetsbare partner. Met 12 aangesloten islamitische koepelorganisaties en naar schatting 80 procent van de Nederlandse moskeeën, is het CMO verreweg het grootste samenwerkingsverband van islamitische organisaties. Tegelijkertijd is de organisatie door onderlinge verdeeldheid en gebrek aan middelen niet altijd even herkenbaar en daadkrachtig. Ook is er een flinke groep moslims die zich niet door het CMO vertegenwoordigd voelt. Het is goed dat het CMO haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt en zich in gaat zetten tegen radicalisering. Het is nu de uitdaging voor de koepelorganisatie om wel daadkracht te tonen en de twijfels bij anderen weg te nemen. Als dat lukt, kan het CMO een belangrijke bijdrage leveren aan het tegengaan van radicalisering.

DELEN
Ewoud Butter
Politicoloog. Hoofdredacteur van de nieuws- en opiniewebsite Republiek Allochtonië.