Na Charlie Hebdo: we zijn geen millimeter opgeschoten

ThijlSunier.png
Foto: © AP

Terwijl Europa op zijn kop stond na de aanslagen in Parijs was ik op werkbezoek in Indonesië. Ook daar was de aanslag voorpaginanieuws, maar de roering was niet te vergelijken met de storm die in Europa woedde. Toen ik terugkwam was het stof enigszins neergedaald en kon ik met enige distantie de commentaren tot mij nemen.

Na de verwarring, de boosheid, de kakofonie van berichten en de over elkaar buitelende meningen, volgden de voorspelbare rituelen. Eerst de grote ‘ik-ben-boos’-demonstratie in Parijs, helaas ontsierd door regeringsleiders met hun eigen agenda’s. Daarna volgden de commentaren in de kranten en tijdschriften en trok het leger van deskundigen langs de actualiteitsprogramma’s om de honger naar duiding te stillen. Als afsluitend ritueel een programma op de Nederlandse tv onder leiding van gespreksleiders met als thema ”jouw vrijheid, mijn vrijheid” met weer meningen, discussie, vragen en vergezichten. ”De nationale gebedsmolen”, zoals Bas Heijne het zo treffend omschreef in de NRC.

Maar nu? Ik moet na enkele weken constateren dat we wat de analyses betreft geen millimeter zijn opgeschoten. Niets nieuws onder de zon, geen poging een stap verder te komen. Je kunt de opeenvolging van gebeurtenissen na de aanslagen bijna naadloos vertalen naar de nadagen van de moord op Theo van Gogh 10 jaar geleden. Een ritueel met een voorspelbaar verloop. Al gauw ontwikkelt zich een consensus dat de aanslag op Charlie Hebdo een aanslag op het vrije woord is. De vrijheid van meningsuiting staat na de afschuwelijke aanslagen weer op eenzame hoogte in de berichtgeving en krijgt een welhaast sacrale status.

Maar dat betekent niet dat er overeenstemming bestaat over de implicaties van de aanslagen, de oorzaken, de gevolgen en de noodzakelijke stappen. De veiligheidsexperts spreken de taal van de dijkbewaarder die waarschuwt voor het opkomende water. Het is kennelijk niet relevant om te begrijpen wat de motieven zijn achter de aanslag en over de collateral damage die de securitisering van de samenleving met zich meebrengt en wat dat betekent voor diezelfde vrijheid van meningsuiting, vernemen we ook niets van de terrorismebestrijders.

Het veiligheidsdenken wordt maatschappelijk en politiek gevoed door de angst voor ‘de islamisering van de samenleving’. Hier trekt weer een heel andere stoet van deskundigen voorbij. Wat islamisering nu eigenlijk precies betekent, en wat het probleem is vernemen we niet, maar duidelijk is wel dat het gaat over de veronderstelling dat de aanwezigheid en zichtbaarheid, de aanhang, en de invloed van de islam in Europa toeneemt. Dat ondanks overduidelijke aanwijzingen dat het aantal moslims al jaren stabiel is, evenals het aantal jongeren dat er radicale denkbeelden op nahoudt. De angst voor die vermeende islamisering is niet op feiten gebaseerd, maar op emoties en op veel fact free politieke retoriek. ‘Islamisering’ appelleert aan een gevoel dat we de greep op de zaken dreigen kwijt te raken.

Aan de andere kant zien we juist verklaringen die de ideologische en religieuze aspecten feitelijk negeren en radicalisering verklaren uit een existentiële crisis en frustratie bij de daders. Of het nu gaat om psychologische verklaringen, of de stelling dat radicalisering het gevolg is van mislukte integratie, steeds ontbreekt enige interesse in de religieuze en politieke motieven van de daders. Een bijkomend effect hiervan is dat de boosheid bij veel moslims, bijvoorbeeld over de misère als gevolg van de oorlog in Syrië, wordt opgevat als een voedingsbodem voor radicalisering en terrorisme. Daardoor worden ook de opvattingen van hen die volstrekt geen sympathie voor IS hebben, maar wel menen dat het regime in Syrië bestreden moet worden, als illegitiem opgevat.

Blijft over de prangende vraag wie hier namens wie spreekt als terroristen in naam van de islam dood en verderf zaaien. Die vraag wordt wel gesteld maar meestal in generaliserende termen, en overigens zowel door moslims als niet-moslims. De schuldvraag is echter veel ingewikkelder. De vraag wie het recht en gezag heeft namens de islam te spreken zal in de nabije toekomst steeds belangrijker worden in discussies zoals die nu plaatsvinden. Naarmate moslims in Europa mondiger worden en het relatieve aandeel onder hen van geboren en getogen Europeanen groter wordt, zullen zij niet alleen vaker het recht opeisen mee te bepalen hoe de samenleving eruit ziet, maar ook eisen dat de toenemende diversiteit onder moslims erkend wordt.

Op de korte termijn zullen de aanslagen de klok helaas weer terugzetten, maar op de langere termijn zullen we toch met elkaar moeten omgaan. We moeten beseffen dat we leven in een toestand van deep pluralism, zoals de antropoloog Robert W. Hefner het formuleert. Misschien is het helemaal niet gek om maar weer eens een kopje thee met elkaar te gaan drinken. Dat is niet naïef, dat is pure noodzaak.

Thijl Sunier is hoogleraar Antropologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Muslims in Europe, voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies en voorzitter van de Antropologen Beroepsvereniging.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.