Neutraliteit en de dubbele standaard

Gülen-beweging-Nederland-.jpg
Foto: © Ender Özçat?

Vorige week organiseerde de redactie van het wetenschappelijke tijdschrift Religie, Recht en Beleid een studiedag getiteld “Geloof in de seculiere samenleving: welk geloof, wiens samenleving?” Er werden twee onderwerpen besproken, de maatschappelijke rol van religieuze organisaties in een tijd dat de staat zich steeds verder terugtrekt, en religie en maatschappelijke (on)veiligheid. Er waren ambtenaren van diverse ministeries, mensen uit het religieuze middenveld, en wetenschappers. Bij elk van de twee blokken werd de aftrap gedaan door een beleidsmaker van een ministerie, waarna het middenveld en de wetenschap daarop konden reageren.

Ik beperk me hier even tot het eerste discussierondje waarin de door de overheid bejubelde participatiesamenleving centraal stond, een samenleving waarin de staat zich terugtrekt als uitvoerder en een grotere rol is voorzien voor het maatschappelijk middenveld, de persoonlijke netwerken van burgers, en van het particuliere initiatief. De discussie spitste zich toe op de vraag of de zich steeds verder terugtrekkende staat niet gewoon het resultaat is van de neoliberale agenda van de overheid en niet alleen te maken heeft met de economische crisis. Maar de discussie ging ook over de zogenoemde neutraliteit van de staat en de koudwatervrees als het gaat om de inbreng van religieuze organisaties in het maatschappelijke domein. We kunnen de laatste jaren een opmerkelijke tegenstelling waarnemen. Aan de ene kant trekt de staat zich dus terug als het gaat om de verdeling van welzijn, maar anderzijds bemoeit ze zich steeds actiever met de inhoud van cultuur en religie. Niets neutraliteit dus. Een vertegenwoordiger van de overheid op de studiedag liet weten dat actief burgerschap vanuit religieuze motieven prima is “als er maar niet geëvangeliseerd wordt”. Ik weet niet wat hij daarmee bedoelde, waarschijnlijk met een tas folders aan de deur aanbellen, maar je naasten helpen lijkt me een prachtige en belangrijke vorm van evangelisatie.

In het geval van islamitische organisaties en bewegingen wordt zoals we kunnen waarnemen het taalgebruik grimmiger en overheerst wantrouwen. Je kunt het vaak niet keihard bewijzen, maar er wordt onder het mom van veiligheid en integratie met twee maten gemeten. Dan is het poldermodel, de neutraliteit en het met de mond beleden gelijkheidsbeginsel niet meer vanzelfsprekend, maar onder voorbehoud. Dan moeten sommige partijen aan de denkbeeldige onderhandelingstafel eerst bewijzen dat ze veiligheid en integratie dienen. Dan zijn eigen netwerken en organisaties niet het cement van de participatiesamenleving, maar een aanwijzing van een groeiende “parallelle samenleving”. Dan gaat het “surveillanceregime”, zoals Martijn de Koning dat noemt, de boventoon voeren.

We zagen onlangs weer een staaltje van wantrouwen en vooral de dubbele standaard naar aanleiding van de instelling van een lectoraat Cross-Cultureel Ondernemerschap aan de Hogeschool Inholland. Deze lectorale leerstoel kwam tot stand in samenwerking met HOG?AF, een ondernemersvereniging die banden zou hebben met de Gülen-beweging. Het ANP stuurde een bericht de wereld in naar aanleiding van een vraag van SP-Tweede Kamerlid Sadet Karabulut, die sinds haar aantreden in de Kamer elke betrokkenheid van islamitische organisaties en bewegingen aan de samenleving te vuur en te zwaard bestrijdt. Verschillende kranten namen het bericht over, inclusief de toon van wantrouwen en alarmisme. Het argument dat naar voren kwam was dat onderwijsinstellingen neutraal moeten zijn en niet in zee mogen gaan met particuliere partners, zeker niet als het gaat om “diepreligieuze” organisaties met een “geheime agenda”.

Ik wil hier niet ingaan op de vraag of de beschuldigingen waar zijn. Betrokkenen zijn daar zelf voldoende toe in staat. Het gaat mij erom dit potsierlijke en bizarre voorbeeld van een dubbele standaard aan de kaak te stellen. Hoezo zijn onderwijsinstellingen opeens neutraal? Alle universiteiten en hogescholen in Nederland hebben innige banden met maatschappelijke partners (religieus, etnisch of anderszins), met het bedrijfsleven en met belangengroepen en lobbynetwerken. Dat is vaak de enige manier om de karige inkomsten van de overheid aan te vullen. Overal worden leerstoelen die betaald zijn door particuliere partners ingesteld. En de overheid juicht dat toe. Maar kennelijk als het gaat om eventuele indirecte banden met een islamitische beweging, dan geldt het neutraliteitsbeginsel en staan we pal tegen inmenging.

Maar er speelt nog iets anders en dat is het schokkende gebrek aan gedegen kennis over religie en hoe religieuze organisaties, inclusief islamitische, te werk gaan. In Nederland is het idee dat religie als maatschappelijke kracht heeft afgedaan nog verbijsterend wijdverbreid. De bereidheid om daar met een iets meer genuanceerde en open blik naar te kijken is bijzonder klein. Het gevolg is dat er volstrekt achterhaalde denkbeelden over de plaats van religie in onze samenleving steeds opnieuw worden geventileerd. In een op 2 november in de NRC gepubliceerd stuk houden een groep jonge religieonderzoekers een pleidooi voor een serieuzere bestudering van religie. Lees het stuk zelf. Het is meer dan ooit noodzakelijk.

Thijl Sunier is hoogleraar Antropologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Muslims in Europe en voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.