Onrecht ontzien

Foto: Medium

Eerder dit jaar werkte ik mee aan een bundel getiteld Zwart: Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen. Daarin schreef ik een essay met de titel Wij zijn meer dan onze kleur. Mijn boodschap: voordat we plaatsnemen in de hokjes ‘zwart’ of ‘wit’ zijn we in eerste instantie individuen. Individuen met een eigen vrije wil. Helaas worden individuen in dit land tot hun huidskleur gereduceerd. Zo gaat er geen week voorbij zonder dat mensen in een willekeurig gesprek mijn mening vragen over racisme, discriminatie of aanverwante onderwerpen. De achterliggende gedachte is heel simpel: als ‘zwarte schrijver’ heb ik vast wel een mening over deze zaken.

Ik word regelmatig uitgenodigd om een praatje te houden of in een panel over racisme plaats te nemen. Regelmatig hoor ik mensen die mij uitnodigen benadrukken hoe belangrijk het is om ‘mensen van kleur’ een podium te geven. ‘Want het zou raar zijn als wij voor dit onderwerp alleen maar een wit panel zouden hebben.’ De intentie is goed. Maar we weten ook dat de weg naar de hel geplaveid is met goede intenties. Daarom sla ik sinds vorig jaar zulke uitnodigingen af. Want het feit dat ik een zwarte huidskleur heb maakt mij geen deskundige. Het feit dat ik een zwarte huidskleur heb zou geen reden moeten zijn om in een willekeurige situatie een gesprek over racisme of discriminatie met mij aan te knopen.

De politieke realiteit in Nederland maakt het helaas haast onmogelijk om in abstracte zaken als ‘individualiteit’ te geloven. Deze week werd een goede vriend van me bij terugkeer van een conferentie in Italië op Eindhoven Airport aangehouden. Met twee andere arrestanten bleek hij iets gemeen te hebben: een zwarte huidskleur. Toen hij de marechaussee daarop aansprak kreeg hij te horen dat ze ‘potentiële criminele en terroristen moeten aanhouden’. ‘Er zit een limiet aan hoe onrechtvaardig je mensen kunt blijven behandelen’, schreef hij later op sociale media. ‘Er zit een limiet aan het moeten invechten in een samenleving waartoe je hoort en aan bijdraagt.’

De afgelopen maanden zag ik deze vermoeidheid om mij heen toenemen. Jonge Afro-Nederlanders en andere bi-culturele Nederlanders die het beu zijn constant op hun huidskleur beoordeeld te worden. Eerst sloten ze hun ogen, ze filterden wat op hen afkwam en bleven geloven dat hun individualiteit bepalend was voor hun lot. Ze deden hun best, haalden goede cijfers en diploma’s. Maar het onrecht bleef. En blijft. Anders dan hun witte collega’s krijgen ze geen uitnodiging van advocatenkantoren wanneer ze met goede cijfers hun rechtenstudie hebben afgerond. Ze worden voor de zoveelste keer aangehouden of aan de kant gezet, louter om hun uiterlijk. In zulke situaties moeten ze een keiharde conclusie trekken: het maakt niet uit hoe hard ik werk of ik hier geboren ben of niet, voor de buitenwereld ben ik in de eerste instantie mijn huidskleur.

De afgelopen maanden heb ik in mijn columns in de Kanttekening niet over racisme of discriminatie geschreven. Niet omdat er al genoeg over is gezegd, maar omdat ik van mening ben dat jonge ‘zwarte schrijvers’ zich niet altijd met zulke onderwerpen bezig zouden hoeven houden. Deze column had daarom bijvoorbeeld over het kabinet Rutte III kunnen gaan en de dubieuze manier waarop het met feiten omgaat. De column had ook over artificiële intelligentie of transhumanisme kunnen gaan. Maar over al deze zaken gaat deze column helaas niet. Want soms doet onrecht zich pal voor je neus voor waardoor je het niet meer kunt negeren. Wij zijn meer dan onze kleur, maar individualiteit blijft een abstracte mythe als onze samenleving in haar bekrompenheid gevangen blijft.

DELEN
Kiza Magendane
Politicoloog. Publicist.