Onze ‘christelijke’ cultuur is meer heidens dan joods

Thomas von der Dunk
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.

Lees meer

Thierry Baudet heeft er inmiddels een gewoonte van gemaakt om te proberen andere Tweede Kamerleden intellectueel te overbluffen. Het zou echter prettig zijn als hij inderdaad ook eens echt iets wist. Vaak komt hij daarmee door gebrek aan tegenspel weg, maar zodra het om zijn interpretatie van de ‘joods-christelijke cultuur’ gaat, waarmee hij zo graag schermt om muren rond Europa op te trekken, begeeft hij zich snel openlijk op gevaarlijk glad ijs. Dan zijn er, in de vorm van parlementariërs van de SGP en de ChristenUnie, toch altijd een paar collega’s die in Bijbel-exegese beter zijn onderlegd.

Dat bleek opnieuw medio december, toen het tegen de achtergrond van de vluchtelingenproblematiek om de naastenliefde ging – in de dagen voor kerst een actueel thema. Kort samengevat: volgens Baudet betreft de ‘naaste’ voor Nederlanders slechts andere Nederlanders, niet ‘mensen van ver weg’. Mocht er bijvoorbeeld een hoogzwangere vreemdeling aankloppen, dan is er daarvoor in zíjn herberg geen plaats. Dat hij daarmee de strekking van het kerstverhaal toch niet helemaal begrepen had, wist CU-Kamerlid Joël Voordewind vervolgens adequaat duidelijk te maken. Dat zulke naastenliefde, juist vanwege het feit dat de lasten van die gastvrijheid jegens vluchtelingen eenzijdig bij bepaalde volkswijken worden neergelegd, voor sommigen begrijpelijkerwijs misschien moeilijk op te brengen valt, doet aan de mondiale intentie van de bijbelse boodschap niets af.

De ‘joods-christelijke cultuur’, dat is iets waar in Nederland momenteel vooral rechts-populistische politici naar verwijzen die zelden meer een kerk van binnen zien. En als het erop aankomt, is hen ook de Heilige Schrift worst. Om met de hoogst verfijnde Baudet, die voor zijn Forum voor Democratie in de weinig democratische negentiende eeuw zijn grote culturele inspiratiebron ziet, in zijn discussie met Voordewind te spreken: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in een wedstrijdje ver plassen over wie de Bijbel het beste kent.’ Dat zulk modern parlementair taalgebruik niet helemaal bij zijn culturele voorkeur past, laat ik even terzijde.

Het gaat mij nu even om dat begrip ‘joods-christelijke cultuur’, dat tegenwoordig zo gemakkelijk over tafel vliegt alsof het hier een eeuwenoude vanzelfsprekende twee-eenheid betreft. Die term heeft eigenlijk pas na 1945 opgang gemaakt, mede uit westers schuldgevoel over de Holocaust. Daarvoor sprak men gewoon over de ‘christelijke cultuur’ – dus zonder het woordje ‘joods’ ervoor – die juist aan die Holocaust het nodige bijgedragen had. In feite is dat ook een iets betere kenschets van wat Europa in sterke mate gevormd heeft tot wat het is, waarbij het jodendom weliswaar altijd aanwezig is geweest, maar geenszins in gelijke mate dominant. Het vormde hooguit het – niet altijd even geliefde – zout in de pap, maar nooit die pap zelf. Die pap was, ook in de ogen van de overgrote meerderheid van de Europeanen van toen, uitsluitend christelijk.

Christendom en jodendom worden met die thans zo populaire term te makkelijk op één lijn geplaatst. Zeker, het christendom is uit het jodendom voortgekomen, begonnen als één van de vele sektes die bij het begin van onze jaartelling aan de oostkust van de Middellandse Zee opkwamen, maar de verschillen zijn tegelijk zeer groot. Om de belangrijkste twee te noemen: het joodse geloof – en dat heeft het met de islam gemeen – draagt vanouds een uitgesproken wettisch karakter; het navolgen van de juiste leefregels, zoals ten aanzien van voedsel (koosjer of halal), speelt voor orthodoxe gelovigen een veel belangrijkere rol dan voor christenen. Ook vrome katholieken en streng-gereformeerden mogen eigenlijk alles eten.

En het tweede verschil: het joodse geloof richt zich op één (uitverkoren) volk; het is etnisch begrensd. Met behulp van de mannenbesnijdenis wordt daarbij de groep duidelijk afgebakend. Ten aanzien van hun mede-joden kunnen orthodoxe joden zich zeer onverdraagzaam opstellen; wat niet-joden doen laat de laatsten daarentegen koud. Het christendom – en dat deelt dít met de islam – heeft een universalistische boodschap voor de hele mensheid en bezit dus een missionair karakter. Dat leidt regelmatig tot bekeringsijver van een soort dat recent die Amerikaanse zendeling met de dood heeft moeten bekopen, waarover mijn vorige column ging. Zij kan soms zelfs bloedige vormen – kruistochten, jihad – aannemen, want voor de radicaalste gelovigen moeten koste wat kost alle zielen worden gered, desnoods met dwang en geweld. Die aandrang is orthodoxe joden weer vreemd.

Door zijn missionaire karakter heeft het christendom, om daarmee succesvol te zijn, zich ook veel meer aan de plaatselijke cultuur van de te bekeren volkeren moeten aanpassen. Ethiopische christenen hebben totaal andere normen dan Engelse. Ofschoon in het Midden-Oosten ontstaan, is het vooral in Europa dat het christendom lang dominant is geweest en dat betekent ook dat het een sterk Europees karakter draagt. Voor een goed begrip van het christendom zoals het hier feitelijk in al die eeuwen vorm heeft gekregen, waren naast de nieuwe geschreven bijbelse normen van buitenaf, de ongeschreven oude waarden van de hier al veel langer bestaande heidense Keltische en Germaanse samenlevingen – die al vroeg een sterk egalitair karakter bezaten – even relevant.

Dat zien we ook op zeer concreet niveau terug. Om twee fameuze Nederlandse decemberfeesten te noemen: de kerstboom valt – inclusief datum – niet los te zien van het Scandinavische zonnewendefeest – en de Germaanse oppergod Wodan reed op een schimmel over de daken om pakjes uit te delen. Over deze heidense tradities is later een christelijk sausje gegoten. Overigens vierde ook mijn Duitse seculier-joodse familie al in de negentiende eeuw Kerstmis, want dat gold gewoon als een nationaal volksfeest – zoals je ook in Istanbul wel kerstbomen ziet, om het Europese karakter van Turkije te benadrukken.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here