Paranoia over vererfde schuld en micro-agressies is niet nieuw

Foto: AP

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de studentenrevolte van 1968 Parijs op zijn kop zette. De revolte groeide uit tot het symbool voor de gehele culturele omwenteling van de jaren zestig, met haar studentenbezettingen, hippies en radicaal activisme. De generatie van mijn ouders kijkt er met trots, nostalgie en meewarigheid op terug. Er wordt veel gereflecteerd, maar toch zijn er blinde vlekken. Als jonge anti-marxist voel ik me geroepen om over het vergeten totalitaire broertje van de westerse jaren zestig revolte te beginnen, Mao Zedong (1893-1976) Culturele Revolutie (1966-1976).

De Culturele Revolutie liep parallel en interacteerde met de westerse jaren zestig revolte, die zich ook tegen cultureel elitisme en de burgerlijke universiteit richtte in naam van de democratische gelijkheid. De Peking Universiteit en Berkeley werden in dezelfde periode door studenten bezet. Terwijl in China ‘burgerlijke’ stijlen als nooit tevoren onder vuur lagen, brak in Californië de summer of love uit, waarin mensen hun chique kleding aan de kant schoven voor volkse t-shirtjes en het ‘volkse’ tot politiek ideaal maakten. Natuurlijk waren er belangrijke verschillen tussen de twee culturele revoluties. Hoe kon het ook anders, de één vond plaats in een totalitair communistisch land, de ander in westerse democratieën. Maar ze volgden een bredere trend in het internationale socialisme, die de focus van de economie naar de cultuur verlegde.

Mao vond dat ondanks de economische hervormingen, er nog te veel traditionele en burgerlijk-elitaire cultuur rondwaarde. Om een echte egalitaire cultuur te scheppen moest iedere culturele verheffing aangepakt worden, omdat daarin de oude, onderdrukkende ongelijkheden zichzelf reproduceren. In naam van gelijktrekking werden Rode Gardes van scholieren en studenten aangezet tot intimidatie tegen ‘burgerlijke’ docenten, intellectuelen en bestuurders. Alle slachtoffers, onder wie veel partijleden, waren in woord goede communisten, maar ze zouden onbewust burgerlijk denken en middels micro-agressies de oude onderdrukkingsstructuren in stand houden. Het is net als met blanken tegenwoordig, die middels een onbewust ‘culturele archief’ van ‘wittenprivilege’ niet-blanken systematisch zouden onderdrukken.

Nakomelingen van voormalig welvarende families moesten tegen hun mentaliteit van privilege vechten, maar ze konden nooit helemaal van hun aangeboren daderschap afkomen. Sommige facties van de Rode Garde zongen de leus: ‘De zoon van een heldhaftige vader is altijd een geweldige man; een reactionaire vader produceert alleen bastaardkinderen.’ Maar er was onenigheid. Het waren de kinderen van kaderleden die voordeel hadden bij een deterministisch verband tussen familie, afkomst en politieke deugdzaamheid. Veel kinderen van ouders die juist als politiek incorrect waren gebrandmerkt, stelden dat ze hun culturele archief konden overstijgen middels extreme trouw aan Mao en zijn ideologie. Ze vormden hun eigen Rode Gardes die extra radicaal waren ter compensatie voor de vererfde historische zonde.

De geweldsgolf begon op de scholen. Op 13 juni 1966 beval Mao dat alle scholen en universiteiten hun onderwijsprogramma’s zouden schorsen, zodat leerlingen en studenten zich vol op activisme konden richten. Op 18 juni werden op de Peking Universiteit docenten en kaderleden publiekelijk vernederd. De eerste geregistreerde dode viel op vijf augustus op een Pekingse meisjesschool. Meisjes in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar sloegen hun vijftigjarige schoolhoofd met stokken en riemen, goten kokend water over haar heen en lieten haar zware stenen heen en weer dragen, tot ze dood neerviel. De autoriteiten vonden het goed.

Op 18 augustus sprak Mao op het Plein van de Hemelse Vrede honderdduizenden Rode Gardisten uit heel China toe. Eén van de meisjes van de Pekingse meisjesschool waar het schoolhoofd net was gedood, had de eer om Mao ceremonieel een armband van de Rode Garde om te doen. Haar gesprek met Mao werd opgenomen. Hij vroeg naar haar naam. ‘Song Binbin’, antwoordde ze. Mao vroeg door over het karakter voor ‘bin’. ‘Is het de ‘bin’ van ‘erudiet en verfijnd’?’ ‘Ja’, zei ze. Mao: ‘Wees gewelddadig.’ De leider had gesproken. Het meisje veranderde haar naam naar ‘wees gewelddadig’, terwijl haar meisjesschool de naam ‘rode geweldsschool’ aannam.

De gekte sloeg om zich heen. Op scholen door heel China werden leraren en bestuurders geïntimideerd, in elkaar geslagen of tot zelfmoord gedreven. In de campagne tegen de Vier Oude Dingen terroriseerde Rode Gardes hoogopgeleiden, schrijvers en kunstenaars, vernielden ze in de huizen van oorspronkelijk vermogende families het meubilair en oude boeken en vandaliseerden ze door heel China oude tempels en historische gebouwen en artefacten, zoals het graf van Confucius (551-479 v.Chr.). Oude straten kregen nieuwe revolutionaire namen. Het verleden moest worden afgekapt.

In Nederland waren veel linkse intellectuelen en politici, onder wie Paul Rosenmöller, Harry Mulisch, Anja Meulenbelt en alle SP-bestuurders, inclusief Jan Marijnissen, lyrisch over Mao’s Culturele Revolutie. Maar de toegenomen politieke correctheid, die de minderbedeelden had moeten helpen, resulteerde in honderdduizenden doden en een algemene verloedering.

Het is daarom begrijpelijk dat de activistische familie tegenwoordig doet alsof de Culturele Revolutie er nooit echt bij heeft gehoord. Maar met name het nieuwe links-identitaire activisme van mensen als Gloria Wekker, Sunny Bergman, Sylvana Simons en – weer – Anja Meulenbelt, zou er toch goed aan doen om wat beter in de spiegel te kijken. De paranoïde verhalen over onbewuste systematische onderdrukking (‘wittenprivilege’, ‘mannenprivilege’, ‘cisgenderedheid’), micro-agressies en vererfde schuld, alsmede de obsessieve drang om individuen en groepen overal in te delen in onderdrukkers en onderdrukten, doen toch nét te bekend aan.

DELEN
Eric Hendriks
Socioloog aan de Peking University. Schrijft vanuit vergelijkend perspectief over democratische en autoritaire regimes.