Paul Cliteur moet nu kleur bekennen

Foto: YouTube

De Leidse hoogleraar Paul Cliteur is recent door zijn eigen rector magnificus Carel Stolker op het matje geroepen. Zo mag het natuurlijk niet heten – het heette dat Stolker graag met Cliteur ‘in gesprek gaat’ – want anders komt natuurlijk direct weer het vaste trollenleger met een apologie op Sint-Thierry uit het riool gekropen. Toch komen Stolkers uitspraken in zijn interview voor BNR natuurlijk wel daar op neer.

Voor zo’n gesprek is ook alle reden, sinds Cliteur op de kieslijst voor de Eerste Kamer is gekomen, en bovendien na Baudets dolksteek in de rug van Henk Otten als voorlopig ‘woordvoerder’ voor de aanstaande FvD-fractie aldaar optreedt. Of dat ook betekent dat hij straks fractievoorzitter wordt, en zo ja, hoeveel senatoren hij dan gaat aanvoeren, is onduidelijk. Misschien dat hij daarvoor momenteel inderdaad op Baudets rol staat, maar het zou natuurlijk ook heel goed zomaar een ander kunnen worden. In personeel opzicht zit er dezer dagen nogal wat beweging in die partij, zullen we maar zeggen. En dan steekt er snel weer een volgende dolk in iemands rug, die eerder nog om zijn verdiensten de hemel in was geprezen.

Over de duurzaamheid van een en ander kan dus met recht twijfel bestaan, maar de nieuwe politieke loopbaan van Cliteur betekent dat hij ook op de opvattingen van de partijleider van zijn club aanspreekbaar wordt. En die dragen regelmatig nogal een dubieus karakter. Op zich valt dat allemaal binnen de vrijheid van meningsuiting. Of Cliteur de recente reactionaire uitspraken van Baudet over vrouwen onderschrijft, of diens boreale flauwekul, of inzake Poetins Rusland Baudets bijna naar landverraad neigende opvattingen deelt, is zijn zaak (en die van zijn kiezers), niet die van zijn academische werkgever.

Dat geldt ook voor Baudets pretentie om de ‘westerse beschaving’ te willen redden en dan vervolgens in liefst drie verschillende gremia uitgerekend Annabel Nanninga in te zetten. Als ik vroeger met een van haar schreeuwerige schrijfsels werd geconfronteerd, schoot mij althans altijd spontaan die fameuze uitspraak van Mahatma Gandhi te binnen: westerse beschaving, dat zou een goed idee zijn!

Hiermee moet Cliteur zelf maar in het reine zien te komen. Maar sommige van Baudets uitspraken houden wél direct verband met de wereld waarin Cliteur beroepshalve verkeert. Dat betreft drie dingen. Allereerst de manier waarop Baudet de universiteiten in zijn boreale borrelspeech na de Statenverkiezingen zeer generiek als ondermijners van de samenleving demoniseerde. Aangezien het hier én zijn werkgever én zijn collega’s betreffen, mag men van Cliteur verlangen dat hij hiervan duidelijk afstand neemt. Politiek brengt verantwoordelijkheid met zich mee; het gaat hier bij Baudet niet om particulier columnistengebabbel, maar om de opinie van de voorman van een partij waarvoor Cliteur zelf nu een functie vervult. Dat maakt Cliteur ook aanspreekbaar op opvattingen van Baudet die niet met de grondslagen van de wetenschapsbeoefening te rijmen zijn.

Het tweede punt, waarover Cliteur nodig – en dat zou ook de journalistiek eens voor zijn rekening mogen nemen – een aantal indringende vragen gesteld moeten worden, betreft het klimaatveranderingsvraagstuk. Verschillen over de juiste oplossing daarvan, of over het prijskaartje dat we daaraan moeten hangen, is volstrekt legitiem. Maar daar gaat het nu bij Baudet niet om. Om het meest geborneerde deel van het electoraat te behagen trekt hij, ofschoon zelf een onwetende leek, de klimaatverandering en de rol van de mens in twijfel. Hij zet zo nagenoeg iedereen die werkzaam is in de natuurwetenschap als oplichters en dilettanten – ‘klimaatgekkies’ – weg, terwijl er over klimaatverandering onder wetenschappers juist een grote consensus bestaat.

Baudet heeft zich inmiddels tot een academische charlatan ontwikkeld, ondanks zijn doctorstitel. Daarom heeft hij dan ook  terecht geen emplooi gevonden aan een universiteit. Cliteur heeft dat wel en zijn deskundigheid op zijn eígen vakgebied staat nu niet ter discussie. Maar men mag wel van hem weten hoe hij ten opzichte van Baudets ‘natuurwetenschappelijke’ opvattingen staat, zoals die zich vertalen in de standpunten van de partij waarvoor hij nu politiek vertegenwoordiger is. Als hij die namelijk onderschrijft, is dat ronduit beledigend voor de wetenschap en zijn collega’s in de bèta-hoek, die op dit terrein toch duizend maal meer deskundig zijn dan Baudet. Als hij hier voor het evidente obscurantisme van Baudet kiest, is de vraag gewettigd wat hij dan nog aan de Universiteit Leiden doet. Als ik Stolker was, zou ik ook niet vergeten hem díe vraag te stellen.

En dan is er, ten derde, de heksenjacht die Baudet met zijn geplande ‘meldpunt voor linkse leraren’ in het onderwijs ontketenen wil. Ook dat is, net als Baudets beschimping van de universiteiten, een rechtstreekse aanval op de integriteit van andersdenkenden. Het past naadloos bij de handelswijze van alle andere autoritaire alt-right-agitatoren op dit moment, zoals Donald Trump, Jair Bolsonaro en Viktor Orban, die weinig met onafhankelijke denkers op hebben en iedereen die niet voor hen opzij gaat grootscheeps belasteren en van leugens betichten, terwijl zij juist zelf als geen ander in leugens grossieren. Ook Baudet kan, zoals FvD-spijtoptanten vrijwel unisono weten te melden, niet met tegenspraak overweg. In zijn narcistische universum draait, net als bij Trump, alles om hemzelf.

De geschiedenis leert dat vrijwel elke autocraat in spe altijd begint met het verdacht maken van de pers en de intelligentsia. Ofschoon ik tot nu toe weinig aanleiding heb om Cliteur, die zich juist altijd als een pleitvoerder van het vrije woord opwierp, zelf van dat soort neigingen te verdenken, brengt zijn keuze voor Baudet hem wel in die buurt. Dus mag men van hem verlangen dat hij zich, nu hij Eerste Kamerlid is, in dat opzicht publiekelijk van deze door Baudet geïnitieerde heksenjacht distantieert. En dan graag in heldere taal, die elke onduidelijkheid daaromtrent uitsluit, en niet in baudetiaanse homeopathische verdunning.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.