Radeloos

Foto: Reuters

Toen eerder deze week commotie ontstond naar aanleiding van de zogeheten Nashville-verklaring, moest ik aan de dertienjarige ik denken. Opgesteld in 2017 in het Amerikaanse Nashville, stelt het manifest dat de kerk tegen andere soorten relaties is dan die tussen man en vrouw. Transgenders en homoseksuelen mogen niet een relatie met elkaar aangaan omdat de Bijbel dat als zonde beschouwt. Ze kunnen wel genezen worden, stelt de verklaring.

Maar liefst tweehonderdvijftig Nederlandse (orthodoxe) christelijke dominees, hoogleraren en politici hebben de Nederlandse vertaling van het manifest ondertekend. Op maatschappelijk niveau leidde dat tot terechte verontwaardiging. Die verontwaardiging bracht mij terug in de tijd, toen ik een jaar of dertien was en net als de opstellers van de verklaring nog geloofde dat homoseksualiteit een zonde is die genezen kan worden. Met de kennis van nu kijk ik met verontwaardiging terug naar de dertienjarige ik. Natuurlijk zou ik hem willen verdedigen, omdat hij in een christelijke omgeving is opgegroeid waar zijn belangrijkste bron van kennis en morele vorming vooral het woord van de dominee was. Maar mijn verontwaardiging naar mijn oude ik stelt vooral mijn paradoxale verhouding met de kerk en het christelijk geloof bloot.

Vorige maand bezocht ik het nieuwe Afrikamuseum in Tervuren. Het is ooit door de voormalige Belgische koning Leopold II geopend als pr-machine. Tijdens de wereldtentoonstelling die in 1897 in Brussel plaatsvond, konden de bezoekers ook een koloniale tentoonstelling bezoeken in het imposante Museum van Congo (zoals het toen heette), om te aanschouwen hoe België onder een ‘genie’ als Leopold een gebied dat zo groot is als West-Europa wist te veroveren. Dat die verovering gepaard ging met moorden en mensenleed bleef uiteraard onvermeld in die koloniale tentoonstelling. ‘Hoe heeft deze man het voor elkaar gekregen om een gebied waar hij nooit voet op zou zetten te veroveren en haar autochtone bewoners tot slaaf te maken?’ vroeg ik mij af tijdens het bezoek aan het nieuwe museum.

Het antwoord moet gezocht worden in de koloniale administratie en een koloniaal leger die de Belgische koning had opgericht. Het terroriseerde de Congolese bevolking en dwong ze om rubber op te halen, zodat België er schatrijk mee kon worden op de internationale markt. Miljoenen Congolezen verloren hun leven door deze hebzucht van de Belgische koning, die vooral het geld nodig had om imposante parken, stations en musea te bouwen. Om te laten zien wat het leven op aarde waard is.

Maar om zijn droom te verwezenlijken had de Belgische koning een verhaal nodig. En daar kon de kerk een belangrijke rol in spelen, als een partner in crime. Het leger van Leopold vernederde Congolezen aan de ene kant en aan de andere kant bouwden katholieke missionarissen parochiën, kerken, scholen en boerderijen. Op het internationale toneel gaf de kerk zo legitimatie aan de plundering van Leopold, de man die ‘beschaving’ bracht. Wij weten waartoe die ‘beschavingsmissie’ van Leopold heeft geleid: het verstoren van de maatschappelijke orde, miljoenen doden, het vernietigen en roven van honderdduizenden stukken cultureel erfgoed (een groot deel bevindt zich nu in Tervuren) en bovenal, het opleggen van een vreemd geloof dat stelt dat homoseksualiteit een zonde is.

Elke keer als ik Congolezen en andere Afrikanen hoor zeggen dat homoseksualiteit niet bij de Afrikaanse cultuur hoort en dat het christelijk geloof bij Congo en Afrika hoort, blijf ik ze met open mond aankijken. Dit is het ongemakkelijke huwelijk tussen mij en het christelijk geloof. Het heeft mij gevormd en waarden (zoals naastenliefde) meegegeven, maar tegelijkertijd zie ik dat de kerk die waarden niet altijd naleeft. De kerk veroordeelt mensen (homoseksuelen en transgenders) die in Gods evenbeeld zijn gemaakt. Mag ik in alle eerlijkheid even radeloos zijn?

DELEN
Kiza Magendane
Schrijver. Publicist. Politicoloog. Beleidsondernemer.