Soms wil ik dat de wereld alleen uit kinderen bestaat

Foto: Reuters

Politielinten. Gillende en rennende mensen. Tientallen ambulances. Een hinkend tienermeisje met een groot verband om haar been. Kinderen die huilend hun moeder in de armen vliegen… Het zijn beelden die ik al zoveel vaker heb gezien de laatste jaren. Beelden die me herinneren aan de aanslagen op het Bataclan theater in Parijs, het vliegveld van Brussel en de boulevard van Nice. Het went nooit.

Terwijl ik naar het ingelaste NOS-journaal kijk over de aanslag op de Manchester Arena, volg ik tegelijkertijd de liveblogs van verschillende Engelse en Nederlandse kranten op mijn computer. Woede en chaos vechten in mijn hoofd om de eer, maar verdriet wint zodra de eerste slachtoffers bekend worden gemaakt: de achttienjarige Georgina Calander en de achtjarige Saffie Rose Roussos. Onschuldigen die zich waarschijnlijk al weken van te voren verheugden op het concert van hun idool Ariana Grande, niet wetend dat dit het hen uiteindelijk fataal zou worden.

Ik durf nauwelijks op Twitter te kijken, want de recente geschiedenis heeft me geleerd wat ik daar zal aantreffen. Toch open ik de app op mijn telefoon. Het heeft iets weg van zelfkwelling, maar mijn nieuwsgierigheid is groter dan de angst. Tegen beter weten in hoop ik dat mensen elkaar opzoeken. Die illusie wordt in de kiem gesmoord als ik de eerste berichten lees. ‘Vergeet niet dat ALLE moslims dit soort acties gerechtvaardigd vinden! Want zo staat het geschreven’, schrijft een man met een emoticon van de Nederlandse vlag achter zijn naam. ‘If you are muslim you are shit’, meent iemand anders. Ik slaak een zucht. De extremisten van IS bereiken voor de zoveelste keer hun doel: verdeeldheid zaaien.

Een paar uur eerder plaatste ik een zonovergoten vakantiefoto op Facebook, maar ik verwijder hem en schrijf in plaats daarvan een hartenkreet: ‘Op dagen als deze zeggen veel mensen ‘zie je wel dat verbinden nergens toe leidt, er worden nog steeds mensen vermoord door terreur, dus houd je mond over dialoog en theedrinken’. Mijn antwoord is dat juist op dagen als deze verbinding ergens toe leidt. Terroristen doen toch wat ze willen, maar de rest van de samenleving mag zich niet uit elkaar laten drijven. Daarom moeten we doorgaan met ‘theedrinken’ tot het de normaalste zaak van de wereld is geworden.’ Een gematigde stelling vind ik zelf. Jammer genoeg duurt het niet lang voordat mijn tijdlijn wordt overgenomen door zogenaamde vrienden. Verschillende joodse kennissen reageren verontwaardigd. ‘In de islam is al 1.400 jaar geen ruimte voor ‘theedrinken’.’ Daar gaan we weer. ‘Hoeveel moslims ken je die joden openlijk een eigen staat gunnen met Jeruzalem als hun hoofdstad?’ Omdat ik altijd met iedereen probeer te praten tolereer ik doorgaans digitale bekenden met allerlei uitéénlopende meningen. Maar nu voel ik mijn hand naar de ‘ontvriendknop’ glijden. Ik heb geen zin meer in oeverloze discussies tussen mensen die steeds verder tegenover elkaar komen te staan, omdat ze persé hun eigen gelijk willen behalen.

’s Avonds lees ik in het gastenboek van het Jeugdjournaal een bericht van ene Peter: ‘Wie die aanslag heeft gepleegd is dom.’ Ik vraag me af hoe het komt dat kinderen vaak de beste opmerkingen maken. Misschien zijn kinderen de enigen die dat kunnen, omdat ze nog niet ten prooi zijn gevallen aan cynisme. Soms wil ik dat de wereld alleen uit kinderen bestaat, zodat we met elkaar kunnen spelen in de zandbak, ongeacht religie of politieke voorkeur van de ouders. Als we allemaal naar het kind in onszelf zouden luisteren, zou de wereld er een stuk mooier uitzien.

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.