Soort zoekt soort

THOMAS VON DER DUNK - ZAMANVANDAAG.JPG
Foto: © Reuters

Onlangs berichtte Zaman Vandaag over een recent onderzoek, waaruit opnieuw bleek dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders op de arbeidsmarkt in het nadeel zijn. Ook wanneer ze dezelfde opleiding voltooid hebben, maken ze minder kans op een bepaalde baan dan autochtone Nederlanders. Dat blijkt een zeer hardnekkig verschijnsel, dat weliswaar niet typisch Nederlands is, en zich ook in andere Europese landen voordoet, maar in Nederland toch iets meer. Hoe komt dat?

Het heeft ongetwijfeld te maken met het fenomeen van het old-boys-network. Veel banen worden niet via advertenties vergeven, maar via relaties; familie en vrienden gaan soms ook actief voor iemand naar een nieuwe baan op zoek. Vooral voor hogeropgeleiden spelen open sollicitaties een relatief grote rol. En ook omgekeerd, als iemand een baan te vergeven heeft, geldt al snel: soort zoekt soort. Voor hogeropgeleiden nog sterker, omdat de verlangde capaciteiten vager zijn. Van een aanstaande buschauffeur wordt een groot rijbewijs verlangd: dat is een objectief meetbare eis. Van een bestuurder worden leidinggevende capaciteiten verlangd. Die laten zich minder objectief vaststellen, dus speelt subjectiviteit (‘het is er al eentje van ons’) een grotere rol. Ook vrouwen en homo’s lopen in bepaalde sectoren tegen dat hardnekkige verschijnsel aan.

Maar waarom is dat verschijnsel in Nederland misschien nog iets hardnekkiger dan in onze buurlanden? Dat heeft vermoedelijk niet alleen met het dominante clubjesdenken te maken (een streng-protestantse school zal niet snel een katholieke, laat staan islamitische directeur aanstellen), maar, paradoxaal genoeg, ook met het relatief sterk egalitaire karakter van de Nederlandse samenleving. Dat impliceert dat, anders dan in het hiërarchischer Frankrijk of Duitsland, de baas niet gewoon de baas is en met baas wordt aangesproken, maar net als alle andere collega’s met Pietje of Marie. Dat betekent ook dat de baas bij het aannemen van nieuw personeel meer geneigd zal zijn met de wensen van zijn of haar andere werknemers rekening te houden. Past de nieuwkomer wel in de groep? In Frankrijk of Duitsland heeft die groep het eerder maar te accepteren als de baas de kandidaat met de beste papieren aanneemt; in Nederland is dat minder het geval, en als – zoals bij veel banen voor hogeropgeleiden – kwaliteit minder gemakkelijk meetbaar is, dan worden ‘nieuwe’ Nederlanders nog sneller het slachtoffer van de neiging van de werkgever om, teneinde gedoe met het eigen personeel te vermijden, de voorkeur te geven aan iemand die makkelijker in de groep lijkt te passen.

Daarbij komt, dat dat in de groep passen in Nederland – meer dan elders – niet alleen het werk als zodanig betreft. In Nederland wordt relatief minder onderscheid gemaakt tussen werk en privé-leven; Duitsers scheiden over het algemeen strikter tussen collegae (vaak nog met U aangesproken) en vrienden en familie (altijd inclusief de betovergrootouders gewoon ‘jij’). In Nederland moeten collegae ook snel persoonlijke vrienden (kunnen) zijn, met wie je eveneens je vrije tijd deelt. Je moet er gezellig mee kunnen kletsen over voetbal (probleem voor veel vrouwen en homo’s), en je moet er ook na het werk gezellig mee naar de kroeg kunnen (probleem voor veel moslims). Het risico op geklaag over het schenken van alcohol op recepties? Verzoeken om een aparte gebedsruimte (denk aan de twee Turks-Nederlandse PvdA-Kamerleden)? Waarom zou je het risico op gedoe lopen als er ook ‘gewone’ sollicitanten zijn?

Hier laten ook nog de restanten van onze verzuilde traditie hun sporen na. Wat in het ene gezelschap een ‘must’ is, is in het andere ‘not done’. De meeste autochtone Nederlanders zijn tamelijk vrijzinnig in hun morele opvattingen, en voelen zich dan al snel in hun uitingsvrijheid beperkt, als zij met orthodox-gelovige christenen te maken hebben. Dan moeten ze op hun woorden passen. Ik herinner mijzelf uit de tijd dat ik begin jaren negentig aan de Leidse Universiteit bij geschiedenis werkzaam was een informeel gesprek over een mogelijke kandidaat voor een assistentenpost. ”Ja, maar die is wel erg gereformeerd.” Met andere woorden: paste die wel voldoende in de groep en zouden de anderen zich in zijn bijzijn niet opgelaten voelen? Tegen precies diezelfde oermenselijke neiging van soort zoekt soort lopen bij het solliciteren ook veel ‘nieuwe’ Nederlanders aan, en dat valt heel moeilijk te veranderen. 

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.