Srebrenica: Nederland wast zijn handen in onschuld

Foto: Reuters
Met de veroordeling van Radovan Karadzic is nu de hoogst mogelijke politieke oorlogsmisdadiger die voor de genocidale massamoord op de Bosnische moslims in Srebrenica in 1995 verantwoordelijk is, na meer dan twintig jaar eindelijk door het Joegoslaviëtribunaal gestraft. De allerhoogste verantwoordelijke aan Servische zijde voor het midden jaren negentig in Bosnië aangerichte bloedbad, de Servische president Slobodan Milosevic, overleed helaas reeds voor in zijn geval het vonnis uitgesproken kon worden in zijn cel op 11 maart 2006. De hoogste militair verantwoordelijke, de pas na Karadzic opgepakte generaal Mladic, is nog in afwachting van het zijne.

De veroordeling tot veertig celstraf, in plaats van levenslang, is begrijpelijkerwijs bij de nabestaanden van de slachtoffers van Srebrenica op onbegrip gestuit. Ook al komt die veertig jaar, gezien de leeftijd van Karadzic, zelfs in geval van eventuele vervroegde in-vrijheidstelling-bij-goed-gedrag, de facto op levenslang neer. Diversere lager in de hiërarchie geplaatste oorlogsmisdadigers hebben immers wel levenslang gekregen. Dat dat in het geval van Karadzic is uitgebleven, zal mede te maken hebben met de in strafrechtelijke zin problematischer invulling van het begrip ”politieke verantwoordelijkheid”: Karadzic was, anders dan Mladic en die reeds eerder met levenslang gestraften, niet ter plekke aanwezig en heeft ook niet op dat moment concreet het bevel tot massamoord gegeven, noch daaraan persoonlijk deelgenomen.

Nederland is dezer dagen met de voltooiing van het proces tegen Karadzic, weer op zeer pijnlijke wijze herinnerd aan wat, sinds de eigen grootschalige misdragingen tijdens de nog altijd eufemistisch als ”politionele acties” te boek staande dekolonisatieoorlog in Indonesië eind jaren veertig, toch wel als de grootste smet op het blazoen van de Nederlandse strijdkrachten mag gelden. Ongeacht alle mogelijke medeverantwoordelijkheid van NAVO-bondgenoten en VN-instanties: zij hebben met hun opdracht de burgerbevolking van Srebrenica tegen hun aanstaande moordenaars te beschermen, gefaald. En wat erger is: zij hebben weggekeken, en ook nadien dat wegkijken volgehouden. Dat begint met de militaire commandant ter plekke, Tom Karremans, die – mentaal niet opgewassen tegen Mladic – op geen enkele wijze op zijn taak berekend was. Dat bleek tijdens de beruchte ”don’t shoot the piano player”-ontmoeting, zoals ook nadien Karremans op geen enkel moment blijk heeft gegeven van het besef hier compleet te hebben gefaald. Onverkwikkelijk was vervolgens het niet-willen-zien van de massamoord die vervolgens onder Nederlandse ogen plaatsvond, de gênante heldenontvangst van de veilig teruggekeerde Dutchbat-soldaten en de klungelige – to say the least – omgang met de schaarse bewijsstukken en de afwikkeling nadien. In Den Haag toonden sommige politici zich aanvankelijk vooral bozer over het feit dat Jan Pronk al heel snel van genocide had gesproken dan over de genocide zelf.

Daarna was er de jarenlange poging van de Nederlandse overheid om de vrouwen van Srebrenica buiten de deur te houden en zo eventuele schadeclaims af te houden. In het geval van de Bosnische tolk in Nederlandse dienst, wiens gevluchte familieleden door Dutchbat de toegang op de basis werd geweigerd, moest uiteindelijk de rechter eraan te pas komen om de Nederlandse staat tot de acceptatie van haar medeverantwoordelijkheid te dwingen. Die uit angst voor financiële gevolgen voortvloeiende miezerigheid van de Nederlandse autoriteiten herinnert aan een – vrijwel tot de dag van vandaag voortdurende – soortgelijke houding inzake de slachtoffers van systematisch bruut Nederlands optreden in Indonesië eind jaren veertig. De constatering dat het om systematisch bruut optreden ging en niet slechts om excessen, moest wachten op een dissertatie die vorig jaar aan de universiteit van het Zwitserse Bern verdedigd werd. De Nederlandse geschiedschrijving was nog niet zover, en zal – zolang de Nederlandse regering het niet opportuun acht daarvoor apart onderzoeksgeld vrij te maken – mogelijk ook niet snel zover komen.

Iets soortgelijks dreigt voor Srebrenica te gelden, met het duizenden pagina’s dikke officiële rapport van de commissie-Blom schijnt iedereen in Nederland die kwestie als voorgoed afgedaan te beschouwen. Hoezeer met de hele affaire gidsland Nederland, decennia lang vooraan staand om anderen de les te lezen, in buitenlandse ogen als karakterloos door de mand is gevallen, schijnt men in Den Haag nog steeds te weinig te beseffen, al staat Srebrenica intussen dan als één der laatste van de vijftig vensters in de Nederlandse geschiedeniscanon. Zelf niet lang na de val van Srebrenica aanwezig op een congres van Duitse mediëvisten, werd ik er toen voortdurend op aangesproken: wat is er met jullie land aan de hand?

Tot slot is van belang, welke lessen Nederland – en het Westen in z’n algemeenheid – uit het Bosnische drama getrokken heeft, ook waar het de omgang met nieuwe moorddadige politieke schurken betreft. Blijven die ongestraft, en soms misschien zelfs bevriend? Dat Milosevic, Karadzic en Mladic uiteindelijk in Den Haag belandden, was te danken aan nieuwe machthebbers in Belgrado, die in ruil voor toenadering tot de Europese Unie tot uitlevering zijn overgegaan.

Juist dezer dagen is het leger van de grootste nog levende massamoordenaar in het Midden-Oosten, Bashar al-Assad, erin geslaagd om het sinds de aanslagen in Parijs in het Westen als hoofdvijand beschouwde IS in het nauw te dringen en zich daarmee zelf als onmisbaar op te dringen. Zal de verklaarbare hang naar stabiliteit in Syrië het winnen van de behoefte aan gerechtigheid van Assads honderdduizenden slachtoffers, en de hoofdverantwoordelijke ook ooit belanden in Den Haag?

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.