Stasi-praktijken helpen niet tegen radicalisering

Foto: Reuters
Min of meer in de schaduw van de ophef over het Oekraïne-referendum vond eind maart ook het debat over terrorisme in de Tweede Kamer plaats. Directe aanleiding waren natuurlijk de recente aanslagen en het debat ging zoals te verwachten dan ook voornamelijk over veiligheid en informatie-uitwisseling tussen geheime diensten. De grote vraag of een aanslag in Nederland mogelijk is kreeg grotere urgentie toen ook onze zuiderburen met terreur te maken kregen. Toen bleek dat de daders voor een deel uit de Brusselse ”probleemwijk” Molenbeek afkomstig waren en dat Salah Abdeslam, één van de daders van de aanslagen in Parijs, maanden in die wijk ondergedoken had gezeten, kreeg het debat een andere wending.

Hebben we in Nederland ook zulke afvoerputjes als de naargeestige banlieus in Parijs, of de door de overheid totaal verwaarloosde wijk Molenbeek? Aan de ene kant was daar natuurlijk weer de onvermijdelijke bromsnor Dick Schoof, het opperhoofd van de nationale terrorismebestrijding die zoals altijd riep dat we eigenlijk in een constante staat van code rood leven. Aan de andere kant waren er de politici die in koor riepen dat ”wij onze zaakjes hier natuurlijk veel beter op orde hebben” en dat ”Brusselse toestanden” hier niet erg waarschijnlijk zijn. Nederland voert namelijk sinds de moord op Theo van Gogh (1957-2004) een zogenoemd ”sleutelfigurenbeleid”. Bepaalde personen die deel uitmaken van de lokale gemeenschap zijn door de overheid ingezet om ogen en oren open te houden en eventuele op handen zijnde plannen te melden. Ook moeten zij jongeren observeren die in radicale netwerken terecht dreigen te komen. Wie deze sleutelfiguren zijn moet natuurlijk geheim blijven, maar het kan een vader, moeder, oom, tante, kennis, buurman of vriend zijn.

Met andere woorden in Nederland ”zitten we in de haarvaten van de samenleving”. Niets ontgaat ons en als het echt mis dreigt te gaan dan weten we dat tijdig te ondervangen. Helaas werd dit feestje van zelfgenoegzaamheid begin april verstoord door jongerenimam Yassin Elforkani, die de zaak flink op scherp zette in een interview in Het Parool. In het interview stelt hij dat het een kwestie van tijd is voordat bijvoorbeeld Amsterdam wordt getroffen door terreur. Hij had geen concrete aanwijzingen, maar meende dat er in de wijken in de grote steden met een hoog percentage moslims jongeren actief betrokken zijn bij terreurnetwerken terwijl de wijkbewoners toekijken, maar hun mond houden. Natuurlijk zijn er dan weer allerlei zelfverklaarde deskundigen die menen dat die zwijgzaamheid een typisch kenmerk is van de Marokkaanse cultuur, maar er zijn ook serieuze verklaringen. Elforkani zelf verzekerde ook dat hij geen angst wil zaaien. Hij wilde alleen duidelijk maken dat er onder veel wijkbewoners met een islamitische achtergrond groot wantrouwen tegenover de overheid bestaat. Dat verklaart de zwijgzaamheid.

Wantrouwen tegenover de overheid. Je hoeft wat mij betreft niet veel fantasie te hebben om te bedenken waar dat wantrouwen vandaan komt. Het ”sleutelfigurenbeleid” is problematisch. Laten we het eens heel scherp formuleren. Ik weet natuurlijk niet precies hoe dat in zijn werk gaat, maar als ik het idee van informanten op lokaal niveau goed op me in laat werken dan roept het bij mij onaangename associaties op met de methodes die de Stasi, de geheime dienst van de voormalige DDR, gebruikte om hun burgers in de gaten te houden. ”Meld misdaad anoniem”, dat werkt als er een flinke sociale afstand bestaat, maar hier gaat het om heel andere situaties. Hier wordt verwacht dat gemeenschappen opengebroken worden zonder dat daar veel meer tegenover staat als wantrouwen.

Het snel verslechterende klimaat voor de islam in Nederland en het groeiende wantrouwen jegens moslims maakt dat de rijen alleen maar verder gesloten worden. Politici verdringen elkaar met steeds rigoureuzere maatregelen om de islam onder controle te brengen. Moslims met wie ik hierover spreek voelen de ijskoude wind die er momenteel waait. Is het gek dat zij niet staan te springen om met de overheid samen te werken? Wordt het niet tijd dat moslims niet uitsluitend worden ingezet om rotzooi op te ruimen? Wordt het niet tijd dat de overheid eens ophoudt het mantra van de scheiding van kerk en staat aan te roepen als moslimorganisaties vragen om wat meer steun en flexibiliteit. En dat terwijl diezelfde overheid aan de andere kant geen enkele schroom heeft zich verregaand te bemoeien met de inhoud van religie als dat het eigen beleid dient. De overheid zou zich eens wat duidelijker en ondubbelzinnig moeten uitspreken tegen politieke partijen en groepen die steeds openlijker oproepen moslims uit de samenleving te verwijderen. Geen slap geklets over gelijke rechten, maar gewoon zeggen dat types als Geert Wilders ongewenst zijn. Dat zou een hoop goodwill kweken bij moslims en zou de bereidheid tot samenwerking vergroten. Een echte haarvatenbenadering is een zaak van lange adem.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.