‘Sterke man’ is te wijten aan falende nationale elite

Foto: Time Magazine

In Amerika is hij sinds de midterm elections afgelopen dinsdag enigszins in zijn slagkracht beperkt, maar elders heeft hij in toenemende mate vrij spel: ‘de sterke man’. In een reeks van landen is hij in opkomst. Trump, Poetin, Erdogan, Bolsonaro, Duterte, Orban, Salvini – het rijtje wordt steeds langer. En gezien de autoritaire wijze waarop zij hun eigen partijen leiden en geen interne kritiek dulden, lijken ook Wilders en Baudet daarvan soms te dromen. Op Nederlandse schaal en in Nederlandse poldervorm uiteraard, maar dat gold indertijd ook voor de NSB. Wie nu filmpjes van haar partijdagen in de jaren dertig ziet, wordt ook eerder herinnerd aan een EO-gezinsuitje dan aan Leni Riefenstahls verfilming van Hitler in Neurenberg.

De genoemde buitenlandse regeringsleiders zijn allemaal via democratische verkiezingen aan de macht gekomen, waaraan zij vervolgens het recht menen te ontlenen om hun tegenstanders volledig in de hoek te drukken. De beginselen van de rechtsstaat zijn niet aan hen besteed (en dat geldt in elk geval ook zeer nadrukkelijk voor de extreemrechtse partijen in Nederland). ‘Het volk heeft mij gekozen’, zo luidt hun boodschap, ‘dus mag ik namens het volk doen wat ik wil’. Met minderheden – zoals etnische, religieuze en seksuele minderheden – die afwijken van de dominante nationale norm die zij zeggen te belichamen, hebben zij veelal weinig op. Datzelfde geldt voor de waarheid, of dat nu de MH17 of de eigen inauguratie betreft.

Ook proberen ze het via manipulaties zo te regelen dat zij nooit hun macht meer hoeven af te staan. Poetin heeft met een wisseltruc zijn zittingsduur fors weten te verlengen, Erdogan heeft dat grondwettelijk geregeld, Orban door de kieswet te manipuleren – een methode die ook de Republikeinen in de Verenigde Staten op grote schaal hebben toegepast. Het is dat de president hier aan een zittingsduur van maximaal twee termijnen gebonden is, want anders zou ook Trump vast bijtekenen tot in de eeuwigheid.

De democratische gedachte, die na de val van de Berlijnse Muur wereldwijd de wind mee leek te hebben – niet alleen in Oost-Europa, maar ook in Latijns-Amerika – is in elk geval in het defensief gedrukt. Nog los van het in bloedbaden ontsporen van de ‘Arabische Lente’ (Tunesië uitgezonderd) en de opkomst van China – waar overigens ook Xi Jinping veel dictatorialer optreedt dan zijn voorgangers – dat steeds meer economische greep op andere landen krijgt. De grote vraag die oprijst: valt er een rode lijn in de opkomst van al deze ‘sterke mannen’ te ontdekken? Of verschilt de oorzaak van hun succes daarvoor van geval tot geval te fors?

In het geval van Trump en Bolsonaro heeft het bipolaire kiessysteem mede hun verkiezingszege mogelijk gemaakt. Geen twijfel: een substantieel deel van hun kiezers is even xenofoob en racistisch als zij, maar dat was voor hun meerderheid niet genoeg. In beide gevallen was het voor veel kiezers een keuze tussen twee kwaden en opteerden zij voor de kandidaat die zij het minst verafschuwden.

Foto: CNN

Elders speelt dat weer geen rol en in Engeland werkt het soortgelijke kiesstelsel over het algemeen juist matigend, zoals dat ook lang voor Amerika gegolden heeft: om per kiesdistrict te winnen, moeten de politici in het midden gaan zitten. Extreemrechts is daarom nog nooit tot het Lagerhuis doorgedrongen. Anderzijds, evenredige vertegenwoordiging brengt dergelijke partijen weliswaar sneller in het parlement, maar daarvan gaat ook een waarschuwende werking uit – Londen kan de illusie koesteren dat de Britse kiezer voor antidemocratische sentimenten immuun is – en een meerderheid zullen in West-Europa PVV, AfD, FPÖ en alle anderen niet snel halen. In Oost-Europa en Latijns-Amerika, regio’s met nog veel minder democratische ervaring, is dat risico groter.

Het kiesstelsel kan bovendien in sommige gevallen dan wel verklaren waarom het mogelijk is dat een ‘sterke man’ in geval van electoraal succes aan de macht komt, het verklaart nog niet dat electorale succes als zodanig. Ook daarvoor is het niet zo makkelijk een rode draad te vinden die alle afzonderlijke gevallen verbindt. Een belangrijke factor vormt afkeer van de zittende elite, die voor corrupt en zelfzuchtig wordt versleten – en vaak ook niet geheel ten onrechte. Dan wordt de buitenstaander met de bezem populair. Dat geldt heel duidelijk voor Amerika, Brazilië en Italië. Hoe ongeloofwaardig de multimiljardair Trump als voorvechter van de gewone man ook is, aan Hillary kleefde Wall Street. Aan Bolsonaro’s en Salvini’s tegenstanders kleefde corruptie en in het eerste geval ook (na juist een aanvankelijk groot succes) een economische crisis. Op dat laatste was ook Poetins opkomst gebaseerd: na de chaos van de Jeltsin-jaren bracht hij stabiliteit.

Bij Poetins positie speelt ook iets anders een grote rol: het gevoel van nationale vernedering. Poetin staat voor ‘Maak Rusland weer groot’, zoals dat ook voor Erdogan geldt. En in zekere zin gaat dat ook voor Hongarije op, dat nog altijd het trauma van het verlies van tweederde van zijn grondgebied na de Eerste Wereldoorlog niet te boven is. En voor Italië, dat zich niet als gelijke van Frankrijk en Engeland behandeld voelt, terwijl het toch evenveel inwoners telt. In Rome en Boedapest is het zo ook het verzet tegen wat als betutteling door Brussel ervaren wordt, wat de rechtse nationalisten vleugels geeft: de Europese Unie als een soort buitenlandse dictatoriale macht van ongekozen technocraten.

Daaronder ligt in veel landen – ook Marine Le Pen ontleent daaraan een groot deel van haar electorale kracht – een groeiend gevoel van onzekerheid bij een groot deel van de bevolking. Dat voelt zich door de gevolgen van de globalisering, zoals migratie en open arbeidsmarkt, sociaal-cultureel en sociaal-economisch in zijn bestaanszekerheid bedreigd. En het voelt zich vervolgens in zijn angsten onbegrepen door de eigen nationale elite, die juist een grenzeloze wereld propageert, omdat ze daar zelf wél enorm van profiteert.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.