Morele opvattingen in het Westen en Midden-Oosten

West-East.jpg

Een paar weken geleden schreef ik in deze krant over de nieuwe strenge aanpak in Indonesië van het alcoholgebruik, die door tegenstanders als teken van toenemende ‘islamisering’ werd gehekeld. Kort daarop stond in De Volkskrant een interessant bericht over een echte theocratie. Titel: Alcoholvrij Iran opent 150 klinieken voor hulp verslaafden. Kortom: alcohol is er officieel voor moslims verboden, maar dat staat in de praktijk consumptie niet in de weg.

Daar wil ik het dit keer echter niet over hebben. Mijn oog werd namelijk getroffen door een paar andere zinsneden in het stukje: “De autoriteiten zijn mild voor de ongeveer 350.000 christenen die het land telt. Zij mogen alcohol brouwen voor eigen gebruik. Verkopen mag niet. In Teheran is een Armeens café waar legaal alcohol wordt geschonken. Moslims mogen hier niet komen.”

Kortom: de wet geldt niet voor iedereen, aan christenen kan toegestaan zijn wat aan moslims verboden is, en op andere punten vast ook omgekeerd. Dat uitgangspunt, dat kennelijk vanzelfsprekend is in Iran, staat haaks op het hedendaagse westerse rechtsbeginsel dat iedereen ongeacht geslacht of geloof voor de wet gelijk is. Dat verschil illustreert een essentiële tegenstelling tussen de morele opvattingen in het Westen en het Midden-Oosten. En wel op twee cruciale terreinen: die van individu versus collectief, en van de verhouding tussen religie en staat.

Het moderne Westen is uitgesproken individualistisch: je bent niet verantwoordelijk voor wat je familieleden doen (ouders voor hun minderjarige kinderen uitgezonderd). Als je broer de gevangenis indraait of je nicht failliet gaat, kan de staat je daar niet financieel op aanspreken, en de samenleving je niet moreel. Zelden werd dat duidelijker zichtbaar dan na de aanslag op de koninklijke familie in Apeldoorn in 2009: Pieter van Vollenhoven ging daarna bij de ouders van de dader op bezoek. Die konden er ook niets aan doen. Niets oudtestamentische verdoemenis tot in het zoveelste geslacht!

Godsdienst is ook een privé-zaak, irrelevant voor de wet. Dat betekent in beginsel dat iedereen hetzelfde mag, of niet mag. Het is dus niet zo dat een gelovige meer mag dan een ongelovige, of dat iemand iets alleen mag omdat hij op grond van zijn geloof er zélf heel erg van overtuigd is dat hij het mag.

Bij die laatste paar kwesties waar dit niet zo is, zoals bij het ritueel slachten, leidt dat steevast tot grote ophef. Hoofd- of gezichtsbedekking kan in bepaalde situaties toegestaan dan wel verboden zijn – maar als dat zo is, dan geldt dat voor iedereen. Als ik niet mag drinken, mag u dat ook niet. Alleen voor jeugd maken we een uitzondering – vandaar dat ook leeftijdsdiscriminatie zo gevoelig ligt. Elke burger wordt voor hetzelfde vergrijp in beginsel gelijk gestraft.

Dat is ook in het Westen niet altijd zo geweest: de gelijkheid van de wet vormt één van de belangrijkste ideologische verworvenheden van de Verlichting (18e eeuw). In de eeuwen vóór de Franse Revolutie (1789-1799) was dat fundamenteel anders. Een edelman werd principieel anders behandeld en anders bestraft dan een burger of boer, om van een horige te zwijgen. Voor dezelfde moord werd de eerste onthoofd en de tweede opgeknoopt. Ook had de eerste het recht om bij gerechtelijke ondervraging van de pijnbank gevrijwaard te blijven. Zelf kiezen of je als edelman of als horige door het leven zou gaan, was er niet bij. Afstamming gaf de doorslag.

Een en ander leidde dus, voor de mensen van toen volstrekt vanzelfsprekend, tot een aantal parallelle rechtssystemen, op basis van de fundamentele ongelijkheid voor de wet. Een laatste restant daarvan vormt nu nog het krijgsrecht. Er bestaan daarnaast ook nog kerkelijke rechtbanken, maar die hebben vandaag – anders dan vroeger, toen de inquisitie iemand wegens ketterij tot de brandstapel kon veroordelen – geen echte macht meer. Werd godsdienstige afvalligheid ooit nog streng bestraft, nu kan iedereen zich aan eventuele kerkelijke sancties onttrekken door gewoon vrijwillig uit de kerk waarvan hij lid is weg te lopen.

Dat is buiten het Westen nog steeds veelal anders. Geen sprake van dat je in Syrië even op eigen houtje van geloof kunt wisselen! In een collectivistische cultuur staat niet het recht van het individu maar de eer van de familie centraal. Waar de vader op de afvalligheid van zijn zoon of op de onzedelijkheid van zijn dochter aangesproken kan worden, wil hij er wat over te zeggen hebben, wat voor patriarchale verhoudingen en grote interne groepsdwang zorgt.

Op afvalligheid kan dan zelfs de dood staan – officieel via de staat dan wel eigenhandig via eerwraak. Niet individuen hebben individuele rechten, maar etnische of religieuze groeperingen hebben die als collectief, waarbij hun rechten met hun omvang samenhangen. Godsdienst is daarmee een staatszaak, en omdat het politieke evenwicht – denk aan Libanon of Irak – vaak op een bepaald getalsmatig evenwicht tussen de grootste religieuze groeperingen is gebaseerd, kunnen de afzonderlijke leden van de ene groep niet zomaar naar de andere groep overstappen zonder dat precaire evenwicht te verstoren.

Tegelijk schrijven godsdiensten een reeks van gedragingen en opvattingen aan hun gelovigen voor, die van godsdienst tot godsdienst verschillen. Denk aan kleding en voedselvoorschriften. Dat impliceert dat de wet van de staat, voor wie dat evenwicht van het grootste belang is, hier omwille van de interne vrede niet voor alle religies gelijk kan zijn. Dus mogen christenen in Iran wel drinken en moslims niet, en is een bekering van moslim tot christen verboden.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.